Ethiopië 2011

Jaaaaaahhhh, GELUK IN MIJN LIJF !!!! Over exact één maandje mag ik weer…!!

Begin dit jaar, toen mijn gedachten weliswaar nog bijna dagelijks naar Tibet terug dwaalden, begonnen we (lees: ik) toch ook langzaam weer plannen te maken voor een nieuwe verre reis. Maar waar dan naartoe? Ik wilde het allerliefst naar Bolivia, maar het voorjaar was te dichtbij, en het najaar een drukke periode op mijn werk. En de bouwvakvakantie was op Stephans werk geen optie. En dus bleef er eigenlijk alleen nog de kerstdagen over… En dan regent het in Bolivia en zijn heel veel gebieden onbereikbaar. Een beetje zonde vonden we allebei.

Stef wilde vanaf het begin het liefst naar Afrika, en eigenlijk richtten we ons vanaf dat moment alleen op het zuiden: Namibië? Zimbabwe? Of toch ‘gewoon’ Zuid-Afrika zelf? Of zou het daar ondertussen te toeristisch zijn? Eigenlijk kwamen we er niet veel verder mee… Totdat we een documentaire van de BBC zagen: ‘The hottest place on earth’. En hoewel die titel die bestemming nou niet meteen heeeuuul erg aantrekkelijk maakt, was ik gegrepen door de beelden van de Danakil Depression. Dáár moesten we blijkbaar zijn! Ik ging me inlezen en ook Stef was meteen enthousiast over Ethiopië, en niet heel veel later was de vlucht geboekt.

ETHIOPIE?!?? Wat moet je daar dan weer?? Dat hebben we heel vaak gehoord in de weken daarna. En of we daar dan een beetje tussen al die hongerige en armoedige mensen rond gingen lopen. Euhm ja, dat gaan we dus inderdaad doen. En ja, daar zullen we ons ook best wel eens ongemakkelijk bij gaan voelen. Maar nee, dat is voor ons geen reden om dan maar niet te gaan, júist niet zelfs. Die armoede en de hongersnood is wel de realiteit, en niet kijken betekent niet dat het er niet is… Juist een land als Ethiopië staat te springen om een beetje toerisme! Nou lijkt het net alsof wij uit idealisme naar Ethiopië gaan, maar das nou ook weer nie zo hoor, wie bint ok gewoon knap nejskierig… Want wat veel mensen niet weten is dat Ethiopië buiten deze narigheid om, ook heel veel moois heeft te bieden. In ieder geval dus de Danakil Depression, maar ook de Simien bergen in het noorden, de stammen in de Omo-vallei, ennnn… als we kunnen geloven wat we steeds maar weer lezen, de lekkerste koffie ter wereld! Lekker bij ons vaste vakantie-food (kilo’s droge biscuitjes…)!! Dus dat wordt weer lekker trippen op de cafeïne…

Hoewel ik me realiseer dat ik met mijn uiterst gedetailleerde, en vooral ook erg langdradige verhalen over de geschiedenis en de achtergrond van Tibet voor de meeste meelezers waarschijnlijk de plank destijds volledig mis sloeg, ga ik dat nu toch opnieuw doen (maar ik zal proberen het korter te houden dan daar, haha!). Degene die nu denkt: ‘Oh nee hè!! Daar gaat ze weer…!!!’ kan hier stoppen met lezen en over een paar dagen gewoon verder lezen met mijn literaire hoogstandjes over onze dagelijkse beslommeringen in Ethiopië.

Maar daar gaan we…
Vanaf 1930 is Ethiopië 44 jaar lang vreedzaam geregeerd geweest door keizer Haile Selassie. Deze regeerperiode werd in 1935 echter verstoord door de Italianen. Het hele continent Afrika was op dat moment gekoloniseerd en Mussolini wilde ook wel graag een stukje eigendom. Alleen Ethiopië was nog ‘beschikbaar’. Zes jaar lang hebben zij vervolgens geprobeerd het land onder controle te krijgen, maar in 1941 trekken zij zich terug naar het noorden van het land (wat nu Eritrea is). Haile Selassie krijgt daarmee een tweede kans en omdat Ethiopië als uitzondering in Afrika nooit gekoloniseerd is geweest gingen ze nooit gebukt onder een van buitenaf opgelegde leefwijze. In 1973 wordt het land echter geteisterd door droogte en hongersnood, dit leidde tot grote protesten en na een staatsgreep in 1974 tegen keizer Haile Selassie werd de macht overgenomen door de dictator Mengistu die mede dankzij de steun van de Sovjet-Unie bijna 20 jaar heeft geregeerd.

Als bondgenoten streden het Eritrese en Ethiopische bevrijdingsleger tegen het regime van Mengistu totdat deze in 1991 werd verdreven. In 1993 werd er ingestemd met de onafhankelijkheid van Eritrea. Van 1993 tot 1998 leefden Ethiopië en Eritrea in harmonie samen, maar al gauw bleek het lastig om de vriendschappelijke band te onderhouden en er ontstaan conflicten over de grensstreek. In 1998 escaleerde dit conflict en er wordt over en weer gebombardeerd, en dit was het begin van de oorlog die tot het jaar 2000 duurde en de meesten van ons vast nog vers in het geheugen hebben liggen. De eindbalans: Meer dan 100.000 doden en meer dan een miljoen mensen die hun huizen hebben moeten achterlaten. Inmiddels is de situatie stabiel, maar de relatie tussen beide landen blijft gespannen (maar dat hebben we Toosje nog niet verteld…).

Economisch gezien is de oorlog ook een enorme aanslag geweest. Van het feit dat ze nooit gekoloniseerd zijn geweest hebben ze geen gebruik kunnen maken door een flinke stap voorwaarts te doen. Eerlijk gezegd denk ik dat achteraf gezien de kolonisatie door een Europees land misschien wel juist had gezorgd voor een versnelde modernisatie van het land. De economie is inmiddels wel groeiende, maar nog altijd is het land niet in staat te voorzien in zijn eigen voedselbehoefte. Hulp van buitenaf is bittere noodzaak.
En die buitenlandse voedselhulp redt uiteraard levens en voorkomt dat mensen hun huizen verlaten om ergens anders op zoek te gaan naar eten, maar het maakt ook afhankelijk. Thijs (van Audrey) vertelde over een documentaire die hij gezien had over een Ethiopiër die in plaats van een baan te zoeken, gewoon dichterbij de plek ging wonen waar de vrachtwagens iedere week hun voedselpakketten kwamen afgeven, das ja ook veel makkelijker… Gelukkig is de regering ondertussen wel druk bezig met het aanscherpen van de regels rondom buitenlandse hulp: Alleen voor hen bij wie het echt niet anders kan.

Ook de modernisering maakt de laatste jaren grote stappen, het wegennet was altijd het slechtste ter wereld. Een gigantische belemmering voor vooruitgang, en de laatste jaren timmeren ze dan ook flink aan de weg (jaja, mooie woordspeling hè…). Daarnaast heeft Ethiopië een enorm toeristisch potentieel, en nu de situatie er relatief stabiel en veilig is, is dit volgens mij hét moment om rijke westerlingen naar hun land te trekken (en aangezien wij nogal rijk zijn… 😉
Maar ondanks alle goede bedoelingen is Ethiopië nog altijd één van de armste landen ter wereld, en dat verander je niet van de één op de andere dag. Met een groot gebrek aan goed opgeleide mensen en een bevolking die weinig initiatief neemt, hebben ze nog een lange weg te gaan…

Ik ga maar gauw naar bed, des te eerder is het morgen, haha!


DAG 1
zaterdag 10 december

Vannacht om 4:00 opgestaan, Thijs en Audrey hebben ons midden in de nacht naar Schiphol gebracht (Heel erg bedankt!). Rond 6:30 zijn we daar en gaan we meteen inchecken en door de douane, Audrey en Thijs gaan toch meteen weer verder (hoe was bie de Zaanse Schans? Donker zeker… haha!).

En ja hoor, ik ben weer de lul… Bij de douane begint alles weer te loeien, te piepen en te flikkeren als ik door het poortje moet. Om de een of andere vage reden ben ik bang voor alles wat met douane te maken heeft. Sexy, mannen in uniform??? Schei uit! Doodeng, ik vind ze doodeng! Ik ben altijd bang dat ze me ergens in een donker hok gaan gooien en dat niemand dan meer weet waar ik ben. Thuis loop ik in mijn hoofd altijd alles na wat er in mijn tas zit en vraag me dan af of dat eigenlijk wel mag, en soms ga ik zelfs googelen (serieus!!!). Nagelschaartje, check… Medicijnen, check… Laptop, check… Wat kan mij nog gebeuren!

Maar in het hol van de leeuw (whaha, beetje overdrijven maakt het verhaal mooier zeggen ze toch altijd…), bedenk ik me dat we infuusnaalden in de tas hebben (voor je weet maar nooit…) en dat ik die nog niet gegoogeld heb. Ineens voel ik een soort van paniek opkomen, ‘Kuuuuttttt!!!! Mag dat wel?!?!!’ Stef doet lacherig, want die vindt altijd dat ik me als een idioot gedraag bij de douane, nou ja dat vindt ie niet, dat is gewoon zo… Terwijl hij fluitend z’n spullen weer bij elkaar harkt, ben ik inmiddels half hysterisch. Ik probeer een pokerface op te zetten en zo ruig mogelijk richting de gate te lopen, maar Stef vindt me een kneus. En als ik toegeef dat ik de eerste keer dat we gingen vliegen wel een heel klein beetje bang was voor de douane, maar nu héus niet meer, ligt ie in een deuk…

De vlucht naar Frankfurt is maar heel kort, er komt een stewardess langs en Stef vraagt of ik wat wil drinken. Neu… Maar het is gratis. Oh, doe dan maar appelsap… Whaha! Voordat we het weten zijn we al in Frankfurt en de overstap gaat heel snel. Het boarden gaat met een automaat en als ik mijn ticket er in doe komt er een briefje uit. Bij niemand, alleen weer bij mij… De adem stokt alweer in m’n keel… Oh ooohhh!!! Maar niks aan de hand, ik heb alleen een andere stoel gekregen, geen idee waarom. Lekker dan, zitten we dus niet meer naast elkaar. We vragen nog iemand om te ruilen, maar die ziet dat niet zitten. Naja, we moeten de hele vakantie nog door samen door, dus laten we dit maar ff zo.

De vlucht van Frankfurt naar Addis is echt mooi! Het is bijna de hele vlucht helder en we vliegen eerst over de Europese bergen (voor de wintersporters onder ons: er ligt sneeuw!). Daarna vliegen we over Kroatië en Griekenland en vervolgens over de woestijn van Egypte en Soedan. Honderden kilometers lang geen enkel lichtje. Tot ineens een lange slinger van lichtjes in het landschap ligt, de nijl, zo mooi!! Boven Soedan zien we de zon ondergaan, de lucht is knalrood, knaloranje en heel donkerblauw… En kearl wat vreten in dat vliegtuig, echt niet normaal. Eerst zoutjes met fris, daarna gewoon nog fris. Dan een warme maaltijd met fris, dan koffie, dan nog een pizza, waar ik al helemaal geen zin meer in heb, maar ja, ‘t is gratis hè! En wie wet ok nog nie wanneer aw wat wier kriejt…

En dan ineens zijn we al in Addis, een lange rij bij de visumdienst, whaaahhh, weer enge mannen in uniform… Ik moet allemaal vage formulieren invullen terwijl die griezel ommeunig chagrijnig voor me blijft zitten, en die infuusnaalden zitten me ook nog steeds niet lekker… Zijn de gevangenissen hier eigenlijk net zo erg als in Azië? En hoe zit het eigenlijk met de doodstraf in Ethiopië? Er flitst van alles door mijn kop en eigenlijk weet ik het wel zeker, ik gaan d’r aan! Maar dan hoor ik meneer Griezel mompelen dat het oké is… Bijna wil ik hem om z’n nek vliegen, maar gelukkig bedenk ik me net op tijd dat dat misschien niet zo gepast is.

Gerard en Yakob staan ons daar op te wachten met een fles water. Ze zeggen dat het koud is in Addis, haha, wij vinden van niet… Gerard is een Nederlander die in Addis woont en die ik via internet gevonden heb. Samen hebben we nagedacht over het rondje dat we gaan maken in Ethiopië. Ik met de perfecte route in mijn hoofd, en Gerard met gevoel voor realiteit… Als ik op zijn mail reageerde met: ‘Ooohh, is dat maar 500 kilometer? Dan rijden we dat stuk ’s morgens en dan gaan we ‘s middags…’. Zette hij me meteen weer met m’n beide voetjes op de grond met: ‘Tessa, we zijn hier niet in Nederland…’, waarmee hij bedoelde te zeggen dat 500 kilometer echt niet even in een ochtendje te doen is… Mja, dat betekende dus concessies doen, en dat viel nog niet mee…

Maar uiteindelijk heb ik wel het gevoel dat we de goede beslissingen hebben genomen, al knaagt het nog steeds wel een beetje dat we niet naar Erta Ale gaan, één van de enige vier zeldzame vulkanen ter wereld met een lavameer op de top. En de steeds terugkerende vraag van Audrey: ‘Ga je daar nou écht niet naartoe?!! Zo’n kans krijg je nooit weer…’ maakt het er ook niet veel beter op. Maar Erta Ale is gewoon heel erg slecht bereikbaar, zowel in fysieke als financiële zin… En toen Gerard vroeg of we wel echt goed na hadden gedacht of we het onszelf, de gids, maar ook de auto wel aan wilden doen om naar Erta Ale te gaan reizen gezien de heeeele hoge temperaturen en de heeeele zware klim, heb ik het plan maar uit mijn hoofd gezet. Althans, dat probeer ik al een paar maanden…


DAG 2
zondag 11 december

Om 6:45 staan we op, ik heb ommeunig slecht geslapen, veels te nieuwsgierig naar morgen. Gisteravond was het donker toen we aankwamen en eigenlijk hebben we niks van de stad gezien, maar als ik ‘s morgens de gordijnen van ons kamertje open doe, moet ik meteen al even slikken… Zo ver ik kan kijken zie ik huisjes van golfplaten. We organiseren onze tassen even anders dan tijdens de vlucht, zodat niet steeds alles mee de auto uit hoeft als we ergens zijn en gaan dan ontbijten. Erg lekker! En opnieuw eten we ons onder het motto ‘wie wet ok nog nie wanneer aw wat wier kriejt’ de balg vol. Als dat zo doorgaat heb ik er straks niet vier kilo af, maar er vier bij!

Dan lopen we naar de auto, wij waren al een beetje laat, maar Daniel is er ook nog niet, al duurt dat maar even. We schudden handjes en vertrekken… Op naar de Dorze! Vandaag staat ons een hele lange rit te wachten van 500 kilometer. TAK-TAK-TAK-TAK. Dat lijkt niet veel, maar dat schijnt hier toch iets anders te werken. De eerste anderhalf uur rijden we nog door Addis, en zo krijgen we meteen een idee van de gigantische omvang van de stad. We zien trieste dingen, mensen liggen op straat en wonen in hele oude huisjes van golfplaten, en toch komt het niet echt binnen. Het voelt een beetje alsof we via de televisie kijken of zo… Misschien nog even acclimatiseren… Eénmaal buiten de stad valt ons meteen op hoe ontzettend groen het hier is, zo compleet anders dan je van Ethiopië zou verwachten na nieuwsberichten over alleen maar honger en droogte. TAK-TAK-TAK-TAK. De wegen zijn trouwens echt verbazingwekkend goed, en de reden dat het niet opschiet zijn alle mensen en dieren die midden op de weg lopen. Waarom ze dat doen? Geen idee… We toeteren wat af… Er zitten wel hier en daar grote gaten in de weg, maar doordat we zo langzaam rijden zijn die makkelijk te ontwijken.
Onderweg zien we honderden vrouwen met enorme bundels brandhout op hun rug. Ze komen uit de omliggende dorpen en zijn op weg naar een markt in de buurt om het brandhout voor een paar birr te verkopen. Kearl hey wat ‘n geslep… Wat kunnen wij dan soms zeiken… TAK-TAK-TAK-TAK (langzaam worden we horendol).

Onderweg vraagt Daniel of we koffie willen drinken en dat komt als geroepen, want we vallen bijna in slaap (Stef helemaal…). Daniel stuurt ons een restaurantje binnen en gaat vervolgens zelf weer weg… Als ik ga kijken waar hij is zit hij naast de auto op een stoepje een zelf gemaakt broodje te eten. Ik zeg dat hij met ons mee moet gaan koffie drinken, en hij springt meteen op. Daniel is een leuke vent, hij is 35, woont nog bij z’n ouders, maar heeft wel een vriendin, geen kids. Hij helpt ons tijdens de (erg sterke) koffie ons Ethiopische vocabulaire uit te breiden van nul naar drie woorden. Al is dankjewel een heel moeilijk lang woord die we niet kunnen onthouden. We betalen omgerekend EUR 0,60 voor drie koppen koffie (dan kun je er dus rustig een rondje in doen) en moeten nog even plassen voor we verder gaan. De toilet in het restaurant is weer een beetje ‘apart‘, de stortbak is de opbergplek voor schoonmaakspullen en er zit geen deur in. Naja, als je moet dan moet je hè… Het zeiken op zich gaat prima! Haha! Er staat een emmertje bij een kraantje zodat er een emmer water achteraan kan. Als we weer verder willen vraagt Daniel Stephan of hij even naar de auto wil kijken, want die doet de hele ochtend al keihard TAK-TAK-TAK-TAK (ja, dat was dat dus…) en Stef was immers monteur… Stef beukt een keer knetterhard op het dashboard en het getak is weg… Daniel lacht, hij zal wel denken, wat is dat voor een flutmonteur… En gelijk heeft ie, want nog geen drie minuten later begint het alweer. Haha!

Langs, maar ook midden op de weg lopen zoveel mensen, heel bizar, er is geen kilometer waar niemand loopt, ook heel veel kids die een kudde geiten, koeien of ezels drijven, of ze lopen met een gigantisch baal hooi op de nek. Maar als ze zien dat er een auto langskomt met ‘witten’ laten ze alles uit de handen vallen en gaan staan zwaaien. Erg schattig!
Daniel blijft maar zeggen dat ze onderweg naar een markt zijn, ook als we al in geen honderd kilometer überhaupt een markt zijn tegen gekomen… Het zal wel. Als we verder bij Addis vandaan rijden veranderen de golfplaten huisjes in ronde hutjes met daken van stro. Echt heel mooi, meestal in een groepje bij elkaar, omringd met bananenbomen. Op het erfje tussen de huisjes lopen geiten, spelen kinderen en hangen moeders zomaar wat rond. Hoe zuidelijker we komen hoe dichter de bossen worden, hoe slechter de weg (ai, ai, Stefs rug…) en hoe hardnekkiger de kids… Pffff… We zijn meestal blij dat we in de auto zitten. We hebben de ramen wel open en ze schreeuwen allemaal hetzelfde, het klinkt als lallallallallallalla… Pas later vertelt Daniel dat ze om lege flessen vroegen waarmee ze water naar hun huis kunnen brengen. Goed bedacht! En jammer dat we het niet verstonden, al hadden we toch maar hooguit één fles voor ze gehad en dan hadden we alsnog minstens 200 kindjes moeten teleurstellen…

Uiteindelijk rijden we het gebied van het Dorze volk in, een bergachtig gebied, met hoogtes van meer dan 4000 meter en tropische bossen. Nee, dit soort landschappen hadden wij hier ook niet verwacht… Althans niet voordat ik begonnen ben met inlezen. Hier kunnen we ons ook bijna niet voorstellen dat er in andere gebieden van ditzelfde land mensen vanwege de droogte sterven van de honger. Daniel vertelt dat er twintig jaar geleden nog veel meer bos was, maar dat een groot deel hiervan inmiddels plaats heeft gemaakt voor landbouwgrond. Een belangrijke inkomstenbron voor het Dorze volk, al werden ze hiermee wel erg afhankelijk van de regen.

Inmiddels halen ze hun hoofdinkomsten uit een andere bron: weven. In heel Ethiopië is de Dorze bekend vanwege hun weeftechnieken en ze rijden met ezelskarren het hele land door om hun producten aan de man te brengen. Ook de ‘Shamma’ (een witte geweven doek die mensen om zich heen slaan en je hier overal in het straatbeeld ziet) komt van hun hand. We zullen zien of we hier zonder lelijke kleedjes vandaan kunnen komen… haha! Daniel vertelt dat sommige Dorze families een verblijf bij hun eigen woning hebben gebouwd speciaal voor toeristen, om zo wat extra centen binnen te hengelen en dat we daar vannacht kunnen gaan slapen als we dat willen! Tuurlijk willen we dat!

Een stukje voor het dorp stopt Daniel omdat het een mooi uitkijkpunt is over de vallei. We stappen uit en ineens komen er van alle kanten kids aangerend, haha, waar komen die vandaan?? Ze willen graag op de foto en lachen als we het resultaat laten zien. Maar natuurlijk, als we bijna weer in de auto willen stappen, komen de vragen… ‘Pen? Birr?’ Nog maar koud op Afrikaanse bodem en ons broekspijpen hangen al vol met kleine Ethiopische bedelaartjes. Ze zien er knap beroerd uit. Ze dragen veels te grote kleding en zijn eigenlijk ook gewoon een beetje vies! Stef kijkt me veelbetekenend aan met een blik die me vertelt dat wanneer hij 24 dagen lang met kleine Ethiopische kindjes aan zijn broekspijp rond moet lopen, dit weleens onze laatste reis zou kunnen gaan worden (samen tenminste… haha!). Ik probeer nog te redden wat er te redden valt met: ‘Schattig hè Stef, die kleintjes’. Maar het is me al lang duidelijk, hij vindt ze verre van schattig… Maar gelukkig nog voordat Stef de kans krijgt ze op hun kleine, donkerbruine smoeltjes te slaan (overdrijven maakt het verhaal leuker weten jullie nog hè…), zegt Daniel dat we maar gewoon in moeten stappen. En dat doen we, we willen niet de eerste dag al afstappen van ons principe om niet in te gaan op bedelende kinderen… Al is dat heel moeilijk, en hou je er zelf een rotgevoel aan over. Daniel verontschuldigt zich zelfs voor het feit dat onze allereerste indruk van Ethiopië alle vooroordelen bevestigd, Ethiopië was immers niks anders dan honger en armoede. Het land produceert zelf nog altijd niet genoeg eten om alle 75 miljoen monden te voeden, en het massatoerisme overspoelt de laatste jaren bijna de hele wereld, maar heeft (gelukkig voor ons) Ethiopië nog niet bereikt. Omdat de mensen hier maar heel weinig westerlingen zien, is het gevolg nu wel dat deze kids ons aanspreken op ons geweten, en geef ze eens ongelijk! Maar we moeten eerlijk zeggen, het is echt wel even wennen…

Maar heel snel daarna zijn we bij de eindbestemming, een Dorze dorp, heel hoog in de bergen. De ‘huizen’ van de Dorze lijken een beetje op een hele hoge reuzenbijenkorf. Het zijn hutten van bamboe en bladeren die ze bewust zo hoog maken, omdat bamboe vrij snel rot en termieten de onderkant van de hut aanvreet. Zo nu en dan halen ze aan de onderkant van hun hut wat weg, zodat de hut steeds kleiner wordt. Maar dan nog gaat een gemiddeld hutje 40 jaar mee, pas dan is die zo klein dat ze er niet meer in kunnen wonen…

De Dorze mensen zelf gaan gelukkig gewoon door met waar ze al mee bezig waren, zodat Stef en ik op ons dooie gemakje door het dorpje kunnen slenteren. Erg leuk en waanzinnige uitzichten, we zitten hier op een bergkam en aan beide kanten een grote groene vallei en uitzicht op een heel groot meer. We kijken nog even bij een man die aan het weven is en Stef filmt, als hij ze laat terugkijken vragen ze of we de film op de Nederlandse televisie willen draaien. Om ze met een goed gevoel achter te laten zeggen we dat we dat zullen overleggen met onze premier. En dan zeggen ze dat we overal in Ethiopië moeten gaan filmen, bij de stammen, maar ook in het Noorden in de bergen, zodat er heel veel toeristen gaan komen. Tuurlijk doen we dat! Als ik zeg dat we de film ook aan hen door kunnen sturen als ze e-mail hebben kijken ze me eerst onbegrijpelijk aan, maar na wat uitleg weet één van hen zich te herinneren dat iemand die hij kent dat heeft… Hij belooft vanavond een adres door te geven. We zijn benieuwd… (inmiddels weten we dat dat adres er nooit is gekomen…)

Daarna gaan we terug naar ons huisje, nadat ze ons een kalebas proberen aan te smeren voor EUR 4,-!! We zijn bereid twee te betalen, wat nog steeds veel te veel is… Maar het gaat niet door, haha, ik vermoed dat ze daar vanavond of morgenvroeg nog wel op terug gaan komen. Hopelijk vergeten ze het, wat moet je met zo’n ding? We gaan even terug naar ons huisje, halen de laptop en op een soort van terrasje schrijf ik aan het reisverslag. Hier precies midden op de bergkam waait het heel hard en vanwege de hoogte is het ook best koud… Als het eten klaar is gaan we dan ook binnen zitten. Ze hebben veel te veel gemaakt en er blijft heel veel over…

Daarna vragen ze of we zin hebben in ‘something traditional lekkers’, haha! Of we daar echt zin in hebben vraag ik me af, maar we willen alles proberen en schudden van ja.
En daar komt het… Een lege waterfles gevuld met een enorm sterke borrel, onze hele strot schroeit weg. Wat ranzig! Stef geeft hem gauw door, maar ik drink hem op, al gaat dat niet van harte. Als we vragen naar het percentage alcohol is dat onbekend, omdat ze het drankje zelf gemaakt hebben, maar ze denken 14 procent… Ik denk een beetje meer…

Het is wel super gezellig, twee jongens uit het dorp, Teddy en Kato drinken gezellig mee (maar een stuk rapper als ik) en ze willen alles weten van Nederland, met name Kato vindt alles fantastisch. Als we ze de foto’s van Nederland laten zien slaat Kato steeds met z’n handen op z’n knieën van enthousiasme. Ze zeggen ook steeds dat het zo gek is dat Nederlanders zo goed kunnen voetballen, en noemen Van Persie en Sneijder… Ze vragen of we Ajax kennen, maar als we zeggen dat die vorig jaar de landstitel voor onze neus hebben weggekaapt en FC Twente ‘onze’ club is roept Kato meteen: ‘Ah Chadli!’ Haha, erg grappig! We blijven ons verbazen… Hij is vandaag naar een voetbal wedstrijd geweest, een hele belangrijke, en hij wist wel zeker dat er toch minstens drie- of vierduizend mensen waren. Als wij zeggen dat er bij ons ieder weekend minstens dertig- of veertigduizend mensen in het stadion zijn, zit ie te springen op z’n stoeltje… Hij wil ook naar Holland!

Op de foto’s die we bij ons hebben staat ook Stefs auto. Ze vragen naar de afstand naar ons werk. Stef zegt dat hij 8 kilometer moet rijden. ‘Rijden’ roepen ze alle drie tegelijk? Waarom loop je dat stukje niet? Ze vinden het echt onvoorstelbaar dat er überhaupt mensen bestaan die voor zo’n klein stukje de auto mee nemen… Schaam‘n onnie?!?!


DAG 3
maandag 12 december

Vanmorgen eten we samen met Daniel, Teddy en Kato, we schrijven in hun gastenboek en kletsen nog wat. We vragen of er veel toeristen bij hun komen slapen, maar ze zeggen dat maar weinig mensen weten dat dat kan… Erg jammer! Tegen half negen nemen we afscheid en gaan we weer een stukje naar beneden. In een ander Dorze dorp lopen we nog wat in het rond, een jongen uit het dorp gaat de gids uithangen, waar we meestal van balen, maar eigenlijk is dat best leuk. We mogen bij ze binnen kijken en zien dat in hun hut aan de ene kant de koeien en geiten slapen en aan de andere kant slapen ze zelf. Als we vragen waarom de koeien niet buiten staan zegt hij dat het koud is ‘s nachts boven in de bergen en de koeien zorgen voor wat warmte. Halverwege komen er heel veel kinderen bij die van alles willen verkopen, één bijdehand jongetje houdt wel heel lang vol,’Please, 20 birr… I’m a poor student, I want to buy a book’. Whaha, tuurlijk schatje… (dat knaapje is amper een jaar of acht…) Maar als we bijna terug zijn bij de auto kan ik zijn donkere kijkers niet langer weerstaan. Ik vraag hem wat het gitaartje kost dat hij bij zich heeft en ineens zegt hij: ‘65 birr’. Ik moet lachen en zeg hem dat hij net nog 20 zei… Hij lacht ook, hij weet dat ie dit gaat verliezen, pakt z’n 20 birr aan en geeft ons een handje. We geven de gids een paar cent en dan gaan we weer verder, overal zwaaien de kids weer naar ons of doen een dansje voor de auto, hoe klein die ventjes ook zijn, dansen kunnen die donkere mannetjes…! We liggen in een deuk!

Vandaag hoeven we maar een klein stukje met de auto, naar Lake Chamo, het meer waar we gister vanaf het Dorze dorp op uitkeken. De weg er naartoe is superslecht en het gaat heel langzaam, maar is erg leuk! We moeten soms wachten, omdat er apen midden op de weg zitten en zelfs een keer op een enorm trage schildpad die op z’n dooie gemakje de levensgevaarlijke oversteek maakt. We pikken onderweg een mannetje op die een bootje heeft en met hem gaan we naar het meer. Als we de auto uitstappen wil ik DEET pakken, maar vraag eerst aan Daniel of het nodig is dat we ons hier beschermen tegen malaria. Hij vraagt: ‘Now?? In the morning? In december?’, hij kijkt me niet begrijpend aan. Ik voel me onnozel, maar knik toch maar van ja… Hij zegt dat het niet het seizoen is voor muggen, maar dat ik uiteraard kan gaan smeren… Naja, laat maar zitten… (als ik straks malaria heb, weet ik hem te vinden).

We zijn de enige op het gigantische grote water. Eerst varen we een stuk met de motor het meer over (heerlijk!) en als we bijna aan de overkant zijn doet hij de motor uit en laten we ons een baaitje indrijven. Al gauw zien we hele grote groepen pelikanen en krokodillen, nijlkrokodillen om precies te zijn, en die zijn met hun zes meter lengte toch wel een stuk groter dan de krokodillen die we in Nepal gezien hebben. We komen heel dichtbij… En dan zegt Daniel ook nog dat wanneer er een krokodil onder de boot doorduikt, we ons goed vast moeten houden, omdat hij met z’n rug nog wel een de onderkant van de boot weet te raken. What the fuck?!?? Ik zit helemaal niet lekker in dat bootje. Ik durf dat enge beest nauwelijks aan te kijken, maar als ik toch kijk zie ik dat hij met z’n ogen ons bootje nauwlettend in de gaten houdt, pfffff…. Het zweet breekt me aan alle kanten uit. Omdat ik als de dood ben dat dat beest behalve heel leip kijken, ook nog gaat bewegen houd ik me in, maar op mijn mond na is alles in me hysterisch aan het krijsen.

Nadat we een tijdje hebben liggen dobberen en ik de krokodillen inmiddels alweer schattig vindt, varen we terug de baai uit… Ik ben even teleurgesteld, omdat ik vermoed dat er vandaag geen nijlpaarden zijn, maar Daniel zegt dat die meestal in een andere baai liggen, waar het water dieper is. En daar varen we vervolgens naartoe, en dan zien we ineens vier paar rode oortjes boven het water uitsteken, ‘look there: hippo‘s‘ roept Daniel. De meest dodelijke dieren ter wereld (aldus Audrey…). Ik wilde ze heel graag zien, maar nu het dan zover is vraag ik me af waarom ook alweer… Ik vraag me af hoe veilig dit is wat we aan het doen zijn… Voorheen dacht ik altijd dat wanneer er echt een risico aan zou hangen, ze die dingen dan echt niet met toeristen zouden aandurven. Maar na ons zigzag-sprintje vorig jaar in Nepal met een neushoorn op onze hielen ben ik ondertussen een stuk minder overtuigd van die theorie. En toen ik gisteravond Lake Chamo googelde kwam ik uiteindelijk terecht op Wikipedia en las onderstaande tekst:
Ook is het gevaarlijk zich te begeven met bootjes op water met daarin nijlpaarden. Zij gooien soms de boot om en takelen mensen dan akelig toe met hun tanden. Een volwassen mannetje kan een drie meter lange krokodil in tweeën bijten.

En dan wil ik naar mama! Geen enge douanebeambten en geen uber-enge beesten, maar veilig met een bak Senseo en blauwe koekjes naar TV Oranje kijken… Haha!
Wij zijn wat dat betreft echt de sukkels onder de reizigers. Als je als backpacker echt een beetje leuk mee wilt doen, verlang je uiteraard niet naar Toosje (of wel, maar dat geef je in ieder geval niet toe), draag je je haar in dreads en naai je van alle landen waar je geweest bent het vlaggetje op je backpack en nog belangrijker: je gaat hoe dan ook niet na drie weken al weer naar huis… Wij voldoen aan geen van deze criteria…

Stef heeft trouwens de videocamera aan Daniel gegeven en die gaat net zo los als Sonam vorig jaar. Ineens is hij de hoofd-toerist, gaat als een ware Leonardo di Caprio helemaal voorin het bootje staan en vergeet dat Stef en ik het ook wel leuk zouden vinden om nog iets te zien… Haha! Na het boottripje is de batterij leeg en het geheugenkaartje vol… 😉

Na de boottocht gaan we naar de lodge, waar we de tent op gaan zetten. Althans dat proberen we, maar dat lukt niet, twee jongens zetten vliegensvlug ons huisje neer en wij lopen er wat onhandig omheen te vallen. We geven ze een paar cent (waar daar was het ze ongetwijfeld om te doen), gooien onze kroam erin en rijden dan naar Arba Minch om te gaan lunchen. De sapjes zijn hier echt zo lekker! We proberen bij een paar banken ons grote geld te wisselen voor kleiner (voor fooien, souvenirtjes en fotogeld bij de stammen morgen). Geen enkele bank heeft klein geld en Daniel zegt dat we beter morgenvroeg terug kunnen gaan, want dan is er nieuw geld of zoiets…
We halen wat flessen water en gaan dan terug naar de camping. Die is trouwens echt mooi, een heel mooi terras (opnieuw met geweldig uitzicht) waar we de rest van de middag en de hele avond onze apparatuur opladen, het reisverslag bijwerken en wat lezen (ja ja, we relaxen ook wel soms…).

We hebben al drie dagen niet gedoucht, maar dat zou eigenlijk best wel eens lekker zijn met die temperaturen hier… We vragen aan iemand van de lodge waar dat kan. Hij zegt dat het douche gebouw dicht is omdat wij de enige campinggasten zijn, maar we kunnen wel even in een huisje gaan douchen, jeeeuuuuujjjj!! Wat is dat lekker! Best schoon, een normale toilet en warm water! Wat wil een mens nog meer… Onder de douche komen we erachter dat we heel erg verbrand zijn (we dachten maar een beetje), morgen toch maar gaan aan de zonnebrandolie denk ik. Van dat douchen knappen we weer helemaal op! Na het douchen gaan we nog even in het restaurantje bij de logde zitten om een beetje elektriciteit te tappen en nog zo’n sapje naar binnen te werken. En zo kunnen wij, en onze digitale vrienden er weer een paar dagen tegen…

Morgen verlaten we Arba Minch om verder naar het zuiden te trekken. Daniel vertelde vanmiddag lachend dat Ethiopiërs zelf altijd zeggen dat hun land ophoudt bij Arba Minch. Nog lager wonen alleen maar wilden… haha! Dat klinkt goed!


DAG 4
dinsdag 13 december – Zakkenrollers in actie

Nadat we de tent hebben opgebroken gaan we zonder ontbijt weer op stap. We hebben nog ontbijtkoek uit Nederland in de tas en dat eten we straks wel even op. Vandaag gaan we richting de Omo-vallei, de vallei helemaal in het zuiden waar de stammen leven. Het is een lange reis, maar ik vind ook de auto-uren eigenlijk helemaal niet vervelend. Onderweg staan weer overal kinderen op straat te dansen, en we hebben nu de lege flessen wel bewaard waar we twee jongetjes langs de weg heel blij mee maken. Ergens halverwege proberen we opnieuw geld te wisselen en dat gaat dit keer goed, Stef en Daniel komen terug met een hele pet vol met kleingeld. Ik was in de auto blijven wachten en een klein jongetje komt met me praten, de meeste kinderen kunnen hier wel een klein beetje Engels, erg leuk! Als Daniel in de auto zit rammelt hij met die pet met geld om mij te laten weten dat het gelukt is, de ogen van het jongetje rollen bijna z’n kop uit…

Als we dieper de vallei inrijden gaan de mensen er anders uitzien. Ze dragen fel gekleurde kleding en hun haar in hele mooie dreads. Sommige mannen hebben verf op hun armen en benen gesmeerd. We zien de vrouwen met enorme vrachten rotzooi op hun nek allemaal in dezelfde richting lopen. De mannen lopen mee met koeien en ander vee aan een lijn. We vragen Daniel waar ze naartoe gaan en hij zegt dat er op dinsdag en zaterdag markt is in Jinka, zo’n 10 kilometer verderop, we kunnen wel gaan kijken…
Jaaaahh! Ik ben gek op markten in het buitenland!

Net na de middag zijn we in Jinka waar we ook gaan slapen vannacht, we gooien onze tassen in de kamer en gaan dan samen met Daniel lunchen. Nadat we hem de eerste dagen steeds hebben mee gevraagd, gaat hij nu gelukkig vanzelf wel bij ons aan tafel zitten, wel zo gezellig… Daniel bestelt injera, hét traditionele gerecht van Ethiopië, de Ethiopiërs zelf eten het vaak drie keer per dag (als ze daar überhaupt geld voor hebben). Wij hebben het ook gegeten bij de Dorze, en vinden het niet echt om over naar huis te schrijven, maar aangezien ik over alles naar huis schrijf… 😉 Injera is een erg zure, grijze, natte, sponzige pannenkoek waar je stukjes afscheurt en waar je vervolgens wot of vlees mee oppakt. De wot zijn verschillende soorten (meestal heeeele pikante) sausjes en vlezige papjes. We worden er allebei niet echt warm van… Maar door de Italiaanse periode kunnen we hier bijna overal spaghetti eten. En ook scrambled eggs en rijst staan bijna elke keer op de kaart. Wie redt oons dus wa…

Daniel vraagt of de sproeten op mijn armen ‘natural’ zijn of dat ik die heb laten aanbrengen, haha! Hij is echt geïnteresseerd in Nederland en naar hoe wij leven, hij vraagt bijvoorbeeld hoe een werkdag er voor ons uit ziet. Wat wij doen als we vrij zijn, of we nog bij onze ouders wonen, en als we zeggen dat dat niet zo is, waar zij dan nu zijn…
Hij vraagt ook naar ons salaris, naar hoeveel alles kost in Nederland, hoeveel we kunnen sparen en uiteindelijk ook wat deze reis kost in totaal. Ik weet me even geen raad en noem een bedrag dat lager is dan de werkelijkheid, hij kijkt me aan alsof we compleet van de pot gerukt zijn… Pffff, ik voel me een decadente bitch… Het is meer dan zijn jaarsalaris.

Hij gaat binnenkort misschien voor de eerste keer naar het buitenland. Hij kent iemand in Frankfurt. Als we zeggen dat dat redelijk in de buurt is, en dat hij van harte welkom is, vraagt hij niet hoe ver het precies is, of hoelang hij er over doet. Maar hij vraagt wat de kosten zijn om die afstand te overbruggen… Erg confronterend! Stef zegt meteen dat dat niks kost, omdat hij hem wel wil gaan halen. Na de lunch rijden we meteen door naar de markt, waar honderden mensen hun kleedje hebben uitgespreid. Als we willen uitstappen, staat er al een heel spektakel aan kids rondom de auto. Alsof prins Bernard uit gaat stappen… Ik vrees dat wanneer we de deur open doen het vragen om birr’s weer los gaat, maar de kids willen gewoon een handje en roepen allemaal: ‘You, you, you!’ Met in ons kielzog heel veel kleine kindjes die vechten om onze handen, lopen we de markt op. Dat wat op de kleedjes ligt doet een beetje triestig aan… uien, knoflook, wat aardappelen, soms wat houtskool of lege flessen. Meer niet… Even verderop is er een soort veemarkt met kippen, ezels en koeien. Wel een geweldig mooi gezicht! De mensen zijn hier erg vriendelijk en helemaal niet opdringerig, er wordt bijna niet om geld gevraagd en ik kan helemaal los gaan met mijn fototoestel. Niemand lijkt zich eraan te storen, ze knikken me zelfs toe dat ik rustig m’n gang kan gaan als ik ze met handen en voeten probeer te vragen of ik ze mag fotograferen. Daniel vertelt dat er hier maar heel weinig toeristen komen en dat merken we, zoals wij onder de indruk zijn van hen, zijn zij dat van ons.

Iedereen wil een praatje maken, of ons op de markt helpen zoeken naar dat wat we zoeken, er komt een vrouw naar me toe die m’n witte armen gaat aaien… En ik zie een piepklein jongetje die amper kan lopen in Stephans zak kijken (zo’n broek met van die zakken aan de zijkant) of er nog iets te halen valt… Haha, dan kan je toch niet boos worden… We slenteren een hele tijd heen en weer tussen alle kleedjes en het peloton kids wordt steeds groter. Ook volwassen mannen willen nu m’n hand vasthouden, iieeeww! Stef ligt in een deuk! Stephan heeft bedacht dat het wel een leuk idee is om een doosje pennen te kopen en die uit te delen aan de kids. Beetje tegen alles in wat we hadden afgesproken, maar laat gaan… Fout! Een heel slecht idee! De kleintjes vinden het heel leuk en tekenen hun t-shirt helemaal vol (nee, dat is in hun geval niet zonde…). Maar ook de jongens van een jaar of 18 willen een pen en trekken het nog net niet uit zijn handen, iedereen is ineens een arme student, erg irritant! We stoppen alles maar gauw weer in de tas, dan maar geen pennen… Daar maken we geen vrienden mee (alleen hele kleintjes). We spelen nog wat met de kids en dan is het tijd om verder te gaan, wel jammer! Met aan elke hand minstens vijf kindjes loop ik terug naar de auto. Wij en zij zwaaien tot we ze niet meer kunnen zien.

Daniel brengt ons naar onze lodge, hij slaapt ergens anders. We lummelen even wat rond het huisje, frissen ons op en gaan dan wat door het dorp wandelen. Heel leuk! Als we op een kruising een richting moeten kiezen, kiezen we steeds voor het smalste paadje. Een klein ventje dat supergoed engels kan loopt met ons mee en praat erin en eruit. We lopen tussen de bananenbomen en huisjes door, ieder erfje is afgezet met een ‘hekje’ van takken, mensen wenken ons steeds hun erfje op. Bij één familie roept een man: ‘Kom drinken!’ en dat doen we dan maar… De vrouw geeft haar kalebas die dienst doet als beker aan mij en ik heb volgens mij weinig andere keus dan maar gewoon een slok te nemen van dat witte troebele drapje. Het is niet vies, maar dat blubberige randje van die kalebas waar ongetwijfeld al heel veel mensen voor mij met de lip aan hebben gehangen, doet me besluiten het maar bij één slokje te laten. Ik vraag me angstig af welk water ze hiervoor gebruikt hebben. Vast niet het gebottelde water dat ons westerse darmstelsel verlangt… Naja, dat zien we morgen dan wel weer, nu maar gewoon genieten van vandaag! Ook Stef ontkomt er uiteraard niet aan… Ze moeten allemaal lachen en alle kindjes willen op de foto. Het jongetje dat goed engels kan laten we vragen of ze misschien iemand kennen met een e-mailadres, zodat we ze de foto’s op kunnen sturen, maar helaas… We slenteren al pratend met dat kleine jongetje verder en ineens zijn we terug op de markt. Opnieuw lopen we wat heen en weer, nu zijn er veel minder kids en dat maakt het fotograferen wel wat makkelijker, vanmiddag moesten beide handen beschikbaar blijven voor die kleine kinderhandjes. En als ik dan een keer op m’n hurken ging zitten om een foto te maken van de markt, kwam er al heel snel weer een hoofdje in beeld van één van onze vriendjes, haha! We wandelen via een andere weg weer terug naar de lodge waar Stef in slaap valt, terwijl ik het reisverslag bijwerk.

Nadat ie een uur heeft liggen pitten vind ik het wel mooi geweest en maak hem wakker. Ik ben gisteravond op de camping een paar keer gestoken door een mug, en helemaal paranoia (volgens Stef tenminste) voor malaria, dus ik smeer me nu helemaal vol met DEET. We lopen naar het terrasje bij de lodge, drinken wat, lezen een oude telegraaf die we uit het vliegtuig hebben meegenomen en eten ook hier. Terug in ons kamertje wil ik gaan douchen, er is een elektrische schakelaar voor warm water, als ik die aanzet spatten er vonken uit de douchekop… Ik douche wel even koud vanavond!


DAG 5
woensdag 14 december – Groeten uit de rimboe

Vandaag gaan we dieper de Omo-vallei in, met gemengde gevoelens overigens. Nog niet zo lang geleden was de Omo-vallei in Ethiopië een gebied waar geïsoleerd levende Afrikaanse stammen konden leven volgens hun oude tradities. De wereld waarin wij momenteel leven, de wereld van 2011, staat echter geen onontdekte gebieden meer toe. En dat is met name te wijten aan mensen zoals Stephan en ik, die denken dat een bezoek aan Ethiopië niet compleet is zonder ook bij de stammen te zijn geweest. En deze stammen ontvangen ons uiteraard met open armen. Ze weten maar al te goed dat ze enorm fotogeniek zijn en westerlingen zelfs bereid zijn geld te betalen voor deze kiekjes.
Daniel vertelt ons dat in tegenstelling tot de rest van Ethiopië in de Omo-vallei andere regels gelden. Cash is hier geen aardigheidje, maar een moeten! Als je niet fotografeert (en dus betaalt) kun je opzouten… En datzelfde had ik al gelezen op internet, ik ben eerlijk gezegd best wel zenuwachtig.

We gaan vandaag de Mursi, een erg bekende stam, ook jullie zullen wel eens beelden gezien hebben van die Afrikaanse vrouwen met een schotel in hun onderlip. Nou, die bedoel ik! Wanneer we onze Landcruiser parkeren staat er al een Mursi-vrouw naast de auto, die ons zo te zien iets heel belangrijks heeft te vertellen. Ze heeft vandaag haar lipschotel even thuis gelaten, en we zijn compleet sprakeloos. Terwijl ze ons van alles probeert duidelijk te maken staan Stef en ik alleen maar met de mond los te staren naar die bungelende onderlip. Alles wat er om ons heen gebeurt ontgaat ons, dit is echt zo bizar! Een ander groepje toeristen dat net is uitgestapt lijkt alleen maar geïnteresseerd in het in zo’n kort mogelijke tijd zoveel mogelijk foto’s te schieten. Maar wij hopen in al onze naïviteit toch iets meer van de Mursi te mogen zien, en stappen dus in eerste instantie uit met de camera nog opgeborgen in de tas. Daniel blijft bij de auto, en een scout loopt met ons mee. Maar al onze pogingen om dichterbij ze te komen, om zonder camera op m’n buik met ze te communiceren, om interesse te tonen in hun leven en cultuur, (Show me your village, let me see your house, how old are you, what‘s your name) mislukken! Het is ons volkomen duidelijk, we zijn hier alleen voor de dollars…

En na een rondje door het dorp, haal ik ook maar mijn camera uit de tas. Voor foto’s wordt je geacht te betalen, dat gaat steil tegen al mijn principes in, maar dit wisten we, en hier is er geen ontkomen aan… Meteen doen ze er alles aan om op de foto te komen. Het is een heel gedoe om iemand te fotograferen, zonder dat de rest van het dorp op de achtergrond gaat staan en je die dus ook moet betalen, haha! We worden een beetje melig van deze bizarre omgekeerde wereld. Wíj moeten betalen voor foto’s waar ze zelf om vragen… Haha, what the fuck?! Wanneer ik de camera richt op iemand gaat die meteen in de houding staan, terwijl ze met een Gerard-Joling-blik in de camera kijkt, spontane plaatjes kunnen we wel vergeten vandaag. Hoewel het uiteraard wel móóie plaatjes oplevert, en we erg lacherig worden van de hele situatie, is het eigenlijk niet écht leuk, het voelt teveel als ‘aapjes kijken’. Het feit dat we dit mogen meemaken en de mooie foto’s weegt eigenlijk niet op tegen het ongemakkelijke gevoel dat het bij ons oplevert.

Over het waarom van de lipschotel zijn de meningen verdeeld, één theorie vertelt dat ze zichzelf (nog vanuit het verleden) bewust verminken en zich daarmee minder aantrekkelijk te maken voor slavenhandelaars. Een andere theorie is dat de grootte van de lipschotel evenredig is met de grootte van de bruidsschat. Maar als wij ze vragen waarom ze die dragen, antwoorden ze zelf dat het gewoon mooi is, en boven dat vooral ook traditie. En zeker is het een uiting van het Mursi zijn, maar stiekem denken we toch ook dat met de komst van het toerisme die schotel in hun lip ineens ook een economisch belang heeft. Hoe groter de schotel, hoe vaker je gefotografeerd wordt, en hoe meer je dus te besteden hebt op de markt om eten te kopen, maar jammer genoeg geven ze ook een groot deel van het geld uit aan alcohol. Daniel vertelt dat ze later in de middag vaak allemaal laveloos voor hun hutjes liggen…

Zoals zij voor ons een bezienswaardigheid zijn, zijn Stef en ik dat voor hen en ergens geeft dat nog wel een gevoel van een soort gelijkwaardigheid. Ondanks dat voelen we ons emotioneel mijlenver verwijderd van deze mensen, maar de fysieke afstand ontbreekt volledig. Ze raken ons aan, kinderen zitten met hun vettige handjes in ons haar en volwassen vrouwen zitten met hun handen zonder schaamte in de mouw van mijn shirt om mijn witte vel aan te raken. En de meeste vrouwen hebben nog wel een soort van kleedjes aan, maar de meeste mannen zijn helemaal naakt. En euhm… dat wat ze zeggen over negers… Ja datte… Das dus echt zo! Haha! Althans in vergelijking tot het materiaal dat hier nu naast me zit, met alle respect hoor Stef, whaha! (hij leest nu mee en ligt in een deuk…)

Maar voordat ik al te ver ga uitweiden over Stephans trots, maar gauw weer terug naar de Mursi die nog steeds met hun handen in mijn kleren zitten… Al gauw hebben ze mijn beha-bandje te pakken, zo’n gek ding moeten ze eerder gezien hebben bij toeristen, want ze gingen wel erg gericht te werk. Zowel zij als ik liggen compleet in een deuk!
Ik denk terug aan dat ik vroeg waarom zij in godsnaam hun lip doorboren en voorzien van een schotel, zij zullen zich ongetwijfeld hetzelfde afvragen bij mijn female bondage, haha! …En zo lijken we misschien toch wel meer op elkaar dan we in eerste instantie dachten… Ik stel me voor hoe het zou gaan als in Nederland me iemand zo zou benaderen, haha, dan zouden we aangifte gaan doen geloof ik… Maar van deze mensen hier kunnen we alles verdragen, we vinden het eerder grappig dan vervelend. We hadden op internet gelezen dat ze erg agressief zouden zijn, maar daar merken we eigenlijk niks van. Sterker nog, ze zijn de vriendelijkheid zelve. En na alle verhalen die op internet rond gaan, valt het echt heel erg mee… Misschien omdat we erop voorbereid waren, misschien door de manier waarop wij hen benaderen… Maar ondanks dat houden ze vanuit hun ooghoeken precies in de gaten hoeveel foto’s er genomen worden, iedere beweging van mijn vinger naar de ontspanknop wordt door heel veel ogen gevolgd.

Ik zou hier wel een hele dag rond kunnen lopen om te fotograferen, iedere foto is even mooi, maar toch berg ik na een paar foto’s mijn camera al weer op, de Mursi zwaar teleurgesteld, ikke zwaar gefrustreerd… Dit wat ik hier aan het doen ben ik helemaal fout! Ik wil nog wel graag als souvernirtje een lipschotel meenemen naar huis, maar er is hier geen marktje of zo, dus ik wijs de lipschotel van één van de vrouwen aan en wrijf met m’n vingers tegen elkaar (je weet wel: ‘centje diene’…) met de bedoeling dat ze ons ergens naartoe brengt waar we ze kunnen kopen. Maar in plaats daarvan trekt ze de drijfnatte schotel uit haar onderlip en drukt die bij me in de hand. Terwijl haar kwijl zich een weg zoekt langs mijn hand, pols en onderarm, grabbel ik met mijn andere hand in mijn broekzak op zoek naar wat muntjes waarmee ik vervolgens afreken.

Als we de stam verlaten, vinden we dat allebei niet erg. Nooit eerder hebben we op reis zo’n enorme kloof ervaren tussen de locals en onszelf. Waar alle andere Ethiopiërs van alles van ons willen weten, waar we wonen, wat we daar eten, wat we verdienen en compleet verbaasd zijn door de foto’s van onze koude Nederlandje, wil de Mursi helemaal niks van ons. Ja, die centen uit onze knip… En dat zorgt echt voor een rotgevoel! In een reisverslag van 2003 heb ik gelezen hoe toeristen nog echt op zoek moesten gaan naar de Mursi, en dan nog was de kans vrij klein dat je ze ook echt zou ontmoeten. En nu, nog maar ácht jaar later staan ze ons met open armen op te wachten, en toch voelen we ons verre van welkom, het is ze immers niet om ons te doen… Een land kan profiteren van de voordelen van toerisme, maar deze vallei heeft ons meer dan ooit tevoren laten zien wat toerisme kapot kan maken, de keerzijde van de medaille, die laat zien hoe breekbaar een cultuur kan zijn. Hier in de Omo-vallei heeft de bedelcultuur zijn absolute dieptepunt bereikt. En daar zijn wij als toeristen verantwoordelijk voor. Uiteraard zou de overheid in Ethiopië hier ook een stokje voor moeten steken, en ook de Mursi zou hier gedeeltelijk zelf zijn verantwoordelijkheid moeten nemen. Bij ons overheerst op de terugweg één gevoel: ‘Waarom in godsnaam hebben we mee gewerkt aan de ondergang van iets wat ooit geweest is…?’

Gelukkig moeten we nog minimaal anderhalf uur terughobbelen, zodat dat slechte gevoel weer een beetje wegzakt. We gaan lunchen en daarna naar het Jinka museum, een museum over de geschiedenis en tradities van de stammen. Daniel wil op ons wachten, maar ik zeg hem dat we wel teruglopen. Hij kijkt me aan of ik gek ben… You don’t know the way… It’s at least ten kilometer… Stephan needs other shoes… En zo ziet ie nog veel meer beren op de weg… Stef ruilt zijn slippers voor zijn wandelschoenen en we verzekeren Daniel: ‘Komt wel goed schatje…’. Het museum kan ons niet zo heel veel schelen en we zijn dan ook al snel weer buiten. We volgen niet de hoofdweg, maar lopen opnieuw alle smalle paadjes in. Mensen komen hun hutjes uit als we langs lopen en zwaaien. Kinderen willen weer hand in hand lopen, en schreeuwen vanaf een afstandje: ‘You, you, you!’

We komen langs een huisje waar heel veel kinderen op het erfje aan het spelen zijn. Ze willen op de foto en op de film, willen onze handjes en halen hun moeder. Die moeder vraagt ons steeds te wachten en doet handen onder haar hoofd en wijst naar binnen… Stef heeft al snel door dat ze bedoelt dat behalve al die kinderen buiten er ook nog eentje binnen ligt te slapen. Als we aanstalten doen om te vertrekken rent ze naar binnen en trekt die kleine worm uit bed. Ze probeert hem mij in de handen te drukken en maakt een beweging dat we weg moeten gaan. Probeert ze nu echt te zeggen dat ze wil dat we dat kleine smurfje meenemen?! Pffff, ik kan wel janken! Een ander klein meisje laat me niet meer los, aait m’n armen, aait me over m’n hoofd en over m’n wangen. Ze doet een beetje raar en zegt alleen maar: ‘Ah, ah, ah’. Al snel hebben we door dat ze niet kan horen. Als andere mensen uit het dorp dat ook tegen ons zeggen tikt ze op haar voorhoofd. Haha, ze doet net of ze allemaal knettergek zijn en er niks mis is met haar oren…
Ze wijst steeds links, rechts en omdat we de weg toch niet weten lopen we maar gewoon mee. Ze sleept ons een erfje op, zet twee stoeltjes voor ons klaar waar we op gaan zitten en haalt haar familie. Ze is helemaal trots dat ze twee faranji vrienden heeft (faranji betekent blanke of buitenlander of zo). We moeten (of eigenlijk moet ik zeggen mogen) ook in hun huisje kijken. Niemand kan engels en het is best wel ongemakkelijk. Als we weg gaan laten we wat geld voor ze achter.

Na een paar uur zijn we weer terug op de hoofdweg en vanaf daar weten we de weg weer. We gaan terug naar ons kamertje, douchen, wassen wat kleren en gaan terug naar de hoofdweg om wat te drinken in een cafeetje. Het donker worden gaat hier supersnel en als de zon ondergaat, lopen we dan ook snel weer terug naar de lodge. Op wandelschoenen bij daglicht is het hier al knap lastig om je poten niet te breken, in het donker op slippers lijkt dat compleet kansloos…


DAG 6
donderdag 15 december – een slechte onderhandelaar

Bij de lodge eten we ons ontbijtje en de mensen die op de lodge werken kijken onze foto’s van Nederland. Eén van hen vraagt of de molen die hij ziet een vliegtuig is, en ook de afstandsbediening die ergens heel klein bij op een foto staat vinden ze allemaal heel bijzonder. En de sneeuw natuurlijk… Ze vragen of je dat ook aan kunt raken en oppakken, en of we ook moeten werken als er sneeuw ligt. Heel grappig!

Dan op weg… Daniel wil weer van alles van ons weten, we vinden het erg leuk dat hij zo geïnteresseerd is. Koken jullie op gas of elektrisch? Hoeveel verbruiken jullie dan per jaar? Als we zeggen dat we op gas koken en ook gas nodig hebben voor warm water, kijkt hij niet begrijpend? Warm water, wat moet je daar dan mee?? Euhm… Ons wassen… Het wordt langzaam echt genant, en we voelen ons steeds verwender. Bij dit soort voorvallen nemen we ons steeds voor het vanaf nu thuis echt anders te gaan doen (al is met koud water wassen misschien een beetje teveel van het goede), maar uit ervaring weten we inmiddels dat wanneer we thuis zijn, al die voornemens weer heel snel zijn vergeten…

Vandaag zouden we naar de markt in Turmi gaan, maar daar blijkt vandaag geen markt te zijn en dus gaan we onderweg naar Turmi naar een andere markt. Als we in het dorp aankomen is de markt nog niet begonnen, we gaan koffie drinken op een terrasje terwijl er heel veel mensen langstrekken onderweg naar de markt. Een klein jongetje wil ons een armbandje verkopen en Stephan wil er uiteraard weer meteen acht tegelijk, Stef slaat stevig aan het onderhandelen. Het jongetje begint met 300 birr voor acht armbandjes, en als Stef een schooiersbod terug geeft, zegt Daniel dat het jongetje zelf 10 birr per armbandje moet betalen. Het ventje gaat uiteindelijk akkoord met 100 birr. Stef geeft hem alsnog 120 en maakt het ventje daarmee heel blij. We geven een paar van de armbandjes aan Daniel en lopen dan zelf ook richting de markt, die ondertussen langzaam volstroomt. Naar deze markt komen iedere week twee stammen, waaronder de Hamar, de mooiste mensen die we tot nu toe hier gezien hebben (tenzij jullie die lipschotels heel erg aantrekkelijk vinden…). Ze hebben stapels vol met kralenkettingen om hun nek, hun hele onderarmen vol met koperen armbanden en hun haar in dikke slierten gedraaid met een mengsel van rode oker en vet. Hele grote gaten in hun oorlellen waarin hele zware oorbellen hangen en ze dragen bijna geen kleren, maar hebben hier en daar een geitenvelletje omgehangen.

Ik zou hier zo een dag aan de rand van de markt kunnen gaan zitten en alleen maar om me heen kijken. Dit kan bijna niet op dezelfde wereld zijn als op die van ons, zo bizar! En zo compleet anders dan dat wat we gewend zijn, nog heel veel generaties verwijderd van Facebook en Twitter… Ze leven hier vooral van landbouw een veeteelt, maar dat gaat hier zo primitief dat ze niet eens kunnen voorzien in hun eigen onderhoud. Een groot deel is dan ook zwaar ondervoed, en hier zijn we voor het eerst ook de kindjes die we ook op televisie zien, ondervoede lichaampjes, spillepootjes, dikke buikjes en heel veel vliegjes… Gezondheidszorg kennen ze hier sowieso niet en malaria, tuberculose en andere infecties hebben dan ook vrij spel, de kindersterfte is hier erg hoog.

Ik heb gelezen dat ook de tradities zorgen voor grote problemen. Kinderen waarvan de ondertanden eerder door komen dan de boventanden worden gedood, omdat ze geloven dat er een vloek op rust. De rode klei die ze in hun haar smeren lekt in hun ogen, waardoor heel veel mensen een oogziekte hebben of blind zijn. Ook vrouwenbesnijdenis komt hier heel veel voor. Bij de zwaarste vorm van besnijdenis snijden ze alles weg, zowel de clitoris als de schaamlippen en naaien dit vervolgens zover dicht dat er alleen nog maar een gaatje ter grootte van een speldenknop overblijft waardoor urine en menstruatiebloed weg kan druppelen. Dat klinkt nu vrij technisch, maar wie echt wil weten hoe verschrikkelijk dat is, moet eigenlijk ‘Mijn woestijn’ van de Somalische Warris Dirie gaan lezen. Nadat ik dat boek uit had heb ik er nog weken aan moeten denken. Ze schreef dat ze als meisje van vijf na haar besnijdenis weg is gelopen van huis en vervolgens ergens in de woestijn haar onderlichaam dagen lang heeft ingegraven om zo de wonden te koelen en de pijn zoveel mogelijk tegen te gaan. Onvoorstelbaar toch dat dat gebeurt…!? Gelukkig strijden er steeds meer mensen tegen dit soort wrede tradities en het aantal vrouwenbesnijdenissen is de laatste jaren dan ook behoorlijk gedaald, gelukkig maar… Maar hoewel het ook volgens de Ethiopische wet verboden is, komt het in dit deel van Afrika toch nog vrij veel voor.

En nu ik dat allemaal weet is het best wel lastig om respect op te brengen voor hun cultuur. Bij iedere man die ik zie vraag ik me af hij misschien ook een kindje had met ondertandjes. En bij iedere vrouw vraag ik me af hoeveel pijn ze heeft gehad bij haar besnijdenis. Ik word er een beetje triest van… Ik wil graag de kettingen en armbanden kopen die zij ook dragen. En probeer ook een beetje te onderhandelen, maar ik kan dat niet en ik wil het niet… Als zij 200 birr vragen weet ik dat het voor 50 of 100 ook kan, en tuurlijk betaal ik dan geen 200. Maar de discussie over die laatste 20 birr wil ik hier niet voeren. Het verschil tussen een goede prijs of een veel te hoge prijs is voor ons een paar dubbeltjes, voor hen betekent het een goede of een slechte dag. Stef staat ergens aan de rand van de markt te filmen en Daniel loopt met mij mee… Hij zegt steeds dat ik Stef moet gaat halen, omdat ik mij een poot uit laat trekken… Haha, laat ze lekker trekken denk ik…

Na de markt staat ons nog aan lange, warme rit te wachten. Een paar uur lang zitten we stuiterend in de auto op weg naar Turmi. Het is de heetste dag die we tot nu toe gehad hebben, ik denk wel ergens rond de 35 graden. Het zweet druipt langs onze stoffige, verbrande nekken… Daarna moeten we nog de tent opzetten, waarbij een klein jongetje ons helpt en we lopen nog even een rondje door het dorp. Letterlijk aan iedere vinger hangt een kind. Een klein jongetje loopt met zijn nog kleinere, blote broertje op de rug te hobbelen en drukt dat ventje bij mij in de handen. Ook hij heeft van die veel te dunne beentjes en een veel te dik buikje. Het snot loopt van zijn neusje zo zijn mondje in… Ik vraag me af hoe zijn leventje er uitziet als hij net zo oud is als wij nu…

We hebben met Daniel afgesproken dat we nog een Hamar dorp gaan bezoeken hier in de buurt, We hebben allebei geen zin, maar bang om iets te missen toch maar gezegd dat we mee gaan. Maar het is helemaal niet leuk. Het dorp is bijna leeg, omdat iedereen naar de markt is, wij zijn chagrijnig en zij ook, haha! We moeten ook hier betalen voor de foto’s. We mogen wel bij ze in hun hutje koffie drinken, samen met minsten 500 vliegen die nu ook in onze ooghoeken zitten. Erg triest hoe die kleine kindjes maar met hun kleine knuistjes in hun ogen blijven wrijven om de steeds weer terugkerende vliegen te verjagen… Als Stef de ballonnen tevoorschijn tovert, zorgt dat voor lach op hun gezichtjes en ineens lijken ze door te hebben dat wij ook gewoon mensen zijn. Ze zaten ons constant aan te staren, maar nu gaan ze een soort van tikkertje met ons doen. De oudjes blijven chagrijnig, maar wij en de kids hebben nu lol. En dat maakt alles dan toch nog een beetje goed…

En dan… eindelijk… kunnen we douchen. Een pisstraaltje weliswaar, en koud, al is dat hier niet erg… Maar kearl wat lekker!!!


DAG 7
vrijdag 16 december – luchtaanvallen

Drie weken voordat we vertrokken naar Ethiopië zijn Ethiopische troepen Somalië binnengevallen, om de inwoners bij te staan in hun strijd tegen de Islamitische beweging Al Shabaab. Ja hoor… Wij willen naar IJsland en de vulkaan barst uit, we willen naar Marokko en heel Noord Afrika begint te rellen en nu wilden we naar Ethiopië en brak ook daar de pleures uit… Even waren we bang dat we misschien niet konden gaan, maar uiteindelijk is er geen negatief reisadvies gekomen, en Gerard stelde ons gerust door te zeggen dat het enige nieuws dat hij had gehoord, het nieuws was dat via Nederland weer terug bij hem in Ethiopië was gekomen, en dus zijn we maar gewoon gegaan (want vaak bi’j te bang…). Maar vannacht zaten we dan ineens midden in een luchtaanval!! Rond een uur of drie zat ik rechtop in bed angstig om me heen te kijken bij het kleine beetje licht van mijn hoofdlamp. De vijand was zojuist binnen gevallen en ik wist meteen dat het oorlog was, en dat wij die oorlog gingen verliezen. Ik maak Stef wakker en ook hij zit meteen rechtop in bed, nog half in slaap kijkt hij me niet begrijpend aan, maar al snel dringt de ernst van de situatie ook tot hem door. Wat nu? Gaan we de tent uit? Nee, want buiten zijn we overgeleverd aan wellicht nog meer vijandige troepen.

Ik denk aan mama, die al maanden heeft gevreesd voor dit moment. We hebben haar steeds gerustgesteld: ‘Zo erg is het allemaal niet mam, dan zou er echt wel een negatief reisadvies geweest zijn’. Maar nu is het dan toch zover… En er is geen ontkomen meer aan… Muggen! Wat het extra wrang maakt is dat we bakken geld hebben uitgegeven aan chemische rotzooi die ons zou moeten vrijwaren van dit soort luchtaanvallen. Iedere dag smeren we ons plichtsgetrouw in met DEET, in een wanhopige poging om in ieder geval de toch al wat sukkelige, en niet al te rappe muggen van ons lijf te houden. Maar die muggen bestaan niet, in ieder geval niet in mijn wereld, en zeker niet in Ethiopië! Muggen zijn rouwdouwers, meedogenloos en bikkelhard! Op het moment dat mijn blik die van de vijand kruist, roept ie ruw: ‘Ik kom je steken bitch!’ Nou ja, dat geeft in ieder geval duidelijkheid… Mijn kleine beetje hoop dat hij misschien wel het beste met ons voor heeft is bij deze vervlogen. De aanval is de beste verdediging en ik sla (heel ruig) met mijn sok in zijn richting, want als je je coulant opstelt, ben je bij voorbaat verloren.

Iedere avond deden we de ramen dicht, haalden we acrobatische capriolen uit om in ons muskietennet te klimmen, zonder dat de belager met ons mee klom. Met onze hoofdlampen uit uiteraard, want licht heeft immers een zuigende werking. Het was afzien, maar dat spookachtige gaf toch ook wel charme aan ons avontuur. Maar belangrijker, het hielp! Tot vannacht in ieder geval. We vragen ons hardop af hoe hij is binnengekomen, maar voordat we daar achter zijn beginnen de luchtaanvallen in volle hevigheid te komen. We zijn kansloos, en op het moment dat we ons dat realiseren laten we ons aan elkaar vastgeklampt terug in bed vallen, in onze schuilkelder, diep onder de dekens. Terwijl we weten dat ook dit niet de manier is om te ontkomen, vroeg of laat zullen we onze bunker uit moeten komen om te voorkomen dat we stikken. En dat weet de vijand ook, hij weet alles, hij weet precies hoe zijn slachtoffers reageren. We gaan hem opnieuw te lijf, dit keer met twee sokken tegelijk, want onderhandelen is geen optie… Maar tevergeefs… We nemen onze toevlucht tot dat belachelijke flesje DEET, om ons tenslotte over te geven, vechtend tegen de malaria, verlangend naar een beetje slaap… Onbegrijpelijk dat er geen negatief reisadvies geldt voor Ethiopië… 😉

Ommeunig geradbraakt vallen we ons tentje uit. Gisteravond dachten ‘die wilden’ even een feestje te gaan vieren net naast de camping. Een paar uur lang klappen en zingen… Vervolgens die kutmuggen en vanmorgen al heeeuul vroeg kreeg er in een ander tentje iemand een hoestbui die een paar uur duurde…

Vandaag gaan we naar het gebied van de Konso, een groep die nog maar weinig met de buitenwereld in aanraking is geweest. Het voelt dan ook meteen veel echter dan het bezoek aan de Mursi. Ze leven heel erg primitief, we wanen ons echt lichtjaren terug in de tijd. We zeggen regelmatig tegen elkaar dat het bijna niet is te geloven dat op dezelfde wereld als waar wij leven, en in dezelfde tijd dit soort leefomstandigheden ook bestaan. Als ze merken dat er ‘faranji’s’ zijn gearriveerd loopt het hele dorp leeg, om ons heen wemelt het van de kleine Konso-kindjes. De kids vragen hier trouwens wel weer allemaal om geld, beetje jammer… Hun dorp bestaat uit allemaal hele smalle paadjes, van soms nog geen meter breed, die belegd zijn met keitjes. Het is dan ook een heel spektakel op onze slippers, haha! Zo af en toe jagen ze een kudde geiten of een koe door datzelfde paadje en staan wij met onze buik tegen de muur gedrukt, zodat die koe erlangs kan. Links en rechts van de paadjes staan overal weer van die hekjes van takken die we overal zien met daar binnen de hutjes. De Konso hebben als een van de weinige volken in Ethiopië hun landschap ingericht met terrassen, zodat ze optimaal gebruik kunnen maken van het spaarzame regenwater dat hier valt. We komen er niet achter waarom de andere stammen die methode niet gebruiken.

Er komt nog wel een heks-achtig type bij ons die een ommeunige scene gaat schoppen omdat ze geld wil. Waarvoor weten wij ook niet… Om van het gezeik af te zijn geef ik haar 2 muntjes, maar die wil ze nie… (zal wel niet genoeg zijn geweest). ‘T meanske wordt steeds bozer en blokkeert het paadje, haha! Maar nu ben ik ook boos, ik zeg dat we terug gaan en tegen iedereen in Holland gaan vertellen dat ze nooit naar de Konso moeten gaan (ruig hè? ;-). Iemand vertaalt het en dan stapt madame Mikmak al snel op zij… Doei doei schatje!!

Van een student (en deze is echt, kunnen we zien aan zijn roze(!!) uniformpje kopen we een Konso-television. Echt zo mooi gemaakt! Een lang strookje papier heeft hij vol getekend en die kun je heen en weer draaien door een klein houten televisietje. Naja, moet je zien denk ik… Echt leuk, maar je hebt er verder weer niks aan, haha! De weg was vandaag weer heel erg slecht, en voor Stefs rug is dat echt kloten… Hij ligt zoveel mogelijk languit op de achterbank. Maar nu rijden we weer langzaam terug naar de beschaving en hopen dan ook op een betere weg morgen, want we moeten een heel eind…


DAG 8
zaterdag 17 december – verwend en lui

Ik ben al om 6:00 wakker, probeer het nog even te rekken, maar ga dan toch maar m’n nest uit. Haal alles even uit onze tassen om het meeste stof eruit te kloppen. De stof is echt een grote ergernis hier, echt alles zit onder het stof, zelfs de nog ‘schone‘ kleren in onze tas… In combinatie met onze zweterige lijfjes levert die stof ons wel een bijna net zo bruin huidje op als de mensen hier… ‘Stef, kijk eens hoe bruin ik ben geworden!’ ‘Ik sprek oe wa weer aj oe wass’n hebt…’. Haha! En inderdaad, dat mooie bruine kleurtje verdwijnt samen met het douchewater in het afvoerputje… Zeunt…

Vandaag een lange reis, en de eerste helft is de weg weer erg slecht. Vaak ligt er wel asfalt, maar dan zitten daar zoveel gaten in dat we alsnog de hele auto door stuiteren. Maar als Stef het niet zo in zijn rug had gehad, had dat ook wel weer een soort charme gehad… De omgeving is hier wel heel mooi, echt tropisch. We zien weer overal bananen- en mangobomen en metershoge cactussen (ook sanseveria‘s mam, die vin ie ja zo mooi… haha!). De kinderen langs de weg zien we dan ook heel vaak met een mango in de hand lopen. Langs de weg weer dezelfde ronde hutjes die we overal zien. Buiten de steden om woont echt wel tachtig procent van de mensen in zo’n hutje. De iets betere huizen zijn gemaakt van een houten skelet met een soort leemlaag er overheen. Deze streek is vooral bekend om zijn koffie en we gaan een plantage bezoeken. En we verwachten een soort wijngaard zoals je die in Frankrijk ziet met lange rijen met (in dit geval) koffiebomen, maar ook dat is hier weer anders. Blijkbaar kunnen die bomen niet tegen de zon en staan ze dus tegen een berghelling gewoon onder of tussen de andere hoge bomen. Het moet een helse klus zijn om hier te oogsten…

In Awassa, de tweede stad van Ethiopië gaan we lunchen, in een voor ons gevoel veels te chique tent. Maar ook daar betalen we uiteindelijk maar drie euro voor een complete maaltijd. Iedereen hier vindt het fantastisch dat we de namen kennen van hun grote helden, waaronder Bekele en Haile Gebreselassie. Met name die laatste is hier erg populair, met het geld dat hij verdient heeft met zijn hardlopen doet hij goede dingen voor Ethiopië. Ook heeft hij een resort laten bouwen in Awassa en na de lunch vraagt Daniel of we willen gaan kijken. En waarom ook niet, we zijn er nu toch… Onderweg daar naartoe komt hij ook weer terug op ‘onze’ voetballers, hij snapt maar niet dat zo’n klein landje zo enorm veel topvoetballers kan leveren. Hij vraagt wat zij doen met hún geld… Tja euhm… Geen idee… Grote huizen bouwen, dikke auto’s kopen en mooie vrouwen versieren… ‘But they should have millions…?!?’ mompelt Daniel…

Het resort doet ons niet zoveel, maar we begrijpen dat dit voor Daniel wel heel bijzonder is (Have you seen the swimmingpool?!) en we doen dan ook alsof we het allemaal waanzinnig vinden. Na een klein half uurtje rijden we weer verder en zien hoe de politie een man midden op de straat compleet aan het aftuigen is, echt knettershard met een stok… Vast een boefje…

Na Awassa rijden we nog een uurtje of zo en dan is het mooi geweest. Vannacht slapen we weer in de tent. Daniel rijdt de auto een terrein op waar geen grassprietje groeit, zo droog! En het stuift er weer als een gek… Gaan we hier kamperen?? Maar Daniel pakt alle spullen uit de auto en wijst ons de goede kant op, en als we over het randje kijken zien we een heel groot meer! Het Langano meer, een van de weinige meren in Ethiopië die geschikt zijn om in te zwemmen, omdat bijna overal Bilharzia voorkomt. Deze parasiet kan door je huid heen je lichaam binnendringen, om zich daar vervolgens te ontwikkelen tot een worm. Echt ranzig dus! Audrey heeft Stephan gewaarschuwd (of wijsgemaakt, dat weten we niet zeker…) dat die parasiet ook door z’n fluitje naar binnen kan zwemmen, haha! En nou is Stephan bang dat er een parasiet uit een ander meer een weekendje weg is hier naartoe en uitgerekend hij hiervan het slachtoffer gaat worden. Dat wordt dus niet zwemmen dit weekend.

Het is wel een geslep om alle spullen langs de berghelling omlaag te krijgen, maar dan staat ons tentje ook wel op het perfecte plekje! Weliswaar geen elektriciteit en geen stromend water, maar dat boeit (nog) niet… Uiteraard komen er weer jongetjes ons helpen de tent op te zetten en daarna gaan we met de stoeltjes aan het water zitten. Daniel werkt z’n administratie bij en Stef en ik lezen wat. Dan lopen we langs het water naar een resort vlakbij om te gaan eten, en als er nog iemand denkt dat je in Ethiopië niet kunt chillen, dan zou die hier eens naartoe moeten komen… Biertjes drinken aan het strand, boekje lezen in een hangmat, zwemmen in het meer en daarna bijkomen op een ligbedje onder een parasolletje, één keer zwaaien en je versgeperste sapje is al onderweg (het witte strand en de blauwe zee moet je er even bij denken, die zijn hier namelijk een beetje grijs en bruin en zo…). Het kan hier allemaal! Kan… Als je dat wilt… Wij willen dat niet… Want met de Landrover door het National Park Abijata-Shalla trekt ons toch iets meer. Maar dat gaan we morgen doen!

Eerst eten, Daniel vraagt of we in Nederland vaak buiten de deur eten en wij zeggen ongeveer eens per maand. Hij zegt dat de meeste mensen hier iedere dag buiten de deur eten. Huh?? Watte? Gaan jullie nou verwend doen??? Waarom? ‘Because the most people only have a bedroom’… En zo worden we meteen weer op onze plek gezet. Hij bladert wat door een tijdschrift van Stephan over trekkers, Stephan kijkt met hem mee… Hier, die trekker heeft mijn broertje zegt Stef. Is hij boer? Nee, dat niet… Oh, hij verhuurt hem? Nee, dat ook niet… Waarvoor heeft hij die trekker dan? Voor de fun… Daniel slaat zijn handen voor zijn gezicht… Het is echt lastig om hem niet constant te confronteren met de grote verschillen tussen de leefomstandigheden van hem en die van ons… Je doet het ongemerkt, en het dringt pas door als hij door gaat vragen en we ons realiseren dat het weer gelukt is… We voelen ons hier echt ommeunig verwend en lui!

Als we terug willen lopen moet dat in het pikkedonker langs het meer, met alleen het licht van de hoofdlamp. Ik vraag of er geen krokodillen of nijlpaarden uit het meer komen rennen om ons op te eten, maar Daniel stelt ons gerust, hooguit komen we alleen hyena’s tegen… (oh, als dat alles is…).


DAG 9
zondag 18 december – naaktreportages veur niks…

Vandaag slapen we uit, althans de mannen slapen uit. Ik zit al om 7:00 met m’n boek aan het meer. Het waait hier hard en het is nog lekker koel… De jongens die onze tent gisteren hebben opgezet hebben de hele nacht buiten gelegen om ons kampje te bewaken. Waartegen weet ik niet en dat wil ik eigenlijk ook niet weten geloof ik… Als Stephan en Daniel ook boven water zijn lopen we weer naar het resort om te ontbijten. We kunnen hier gewoon westers eten en voor Stephans darmen is dat geen overbodige luxe, die is al een paar dagen niet zo lekker… Stefs slipper overleeft het wandelingetje naar het resort niet en op blote voeten loopt hij verder. Een meisje van het resort ziet dat zijn slipper kapot is en loopt ermee weg. Even later komt ze terug met een vakkundig gerepareerd schoentje, ze heeft er een touwtje doorheen gepeuterd, en Stef kan weer lopen (voor zolang het duurt).

En dan op naar het nationaal park Abijata-Shalla. We pikken ook hier weer eerst een scout op die ons van alles kan vertellen en ons zou moeten beschermen tegen enge dieren en zo… We rijden het stuk het park in en dan gaan we lopend verder. Daniel blijft achter in de auto met de stoel in de slaapstand, haha! We lopen een hele grote zoutvlakte over richting een meer, in het water zie ik al honderden witte stipjes en als we dichterbij komen zien we dat het flamingo’s zijn die met hun rooie pootjes in het water mooi staan te zijn. Soms vliegen ze allemaal tegelijk op en dan is het één grote roze wolk, zo mooi! Tussen alle flamingo’s in zien we ook hier weer pelikanen, kraanvogels en nog heel veel vogels die we niet kennen. Er loopt nu ook een man met een speer met ons mee en ik vraag hem grappend of hij ons met dat ding tegen de ‘big animals’ moet beschermen. En net als Daniel gisteravond denkt ook hij me gerust te stellen met ‘No, don’t worry, it’s only for the snakes’…

De omgeving is hier heel afwisselend, aan de overkant van het meer zien we bergen van wel 4000 meter hoogte, maar we zien ook savannes vol met acacia’s, heel erg mooi, precies zoals Afrika er in mijn gedachten uit zou zien. Dan gaan we naar een ander deel van het park en daarvoor nemen we de auto een stukje mee. Een compleet ander landschap, dit is een savanne met gras tot boven onze knieën. Ook hier blijft Daniel achter bij de auto en gaan wij met de scout lopend op zoek naar wild. Al heel snel zien we een hele grote groep gazelles staan, die zich niks van ons aantrekken. Ook de struisvogels vinden het prima dat wij hier rondslenteren, maar dat is anders voor de zwijntjes (ik heb geen idee hoe die beesten heten, ik bedoel zo’n klein zwijntje met van die grote tanden die ook in de Lion King mee doet). Die komen met kuddes tegelijk de struiken uitcrossen en binnen een paar seconde zijn ze dan al weer verdwenen. Wel een hels kabaal trouwens als die het op een lopen zetten.

Er zijn hier ook heel veel van die kleine zandstormpjes, een soort mini-tornado’tje. Een grote trechter van zand stuift als een gek door het landschap. Volgens mij wordt je niet heel erg blij als je daar midden in zit…

Dan gaan we weer met de auto een stukje rijden om bij de hotsprings (warmwaterbronnen) te komen. Het is zondag en de scout vertelt dat alle mensen op zondag hier naartoe komen om zichzelf en hun kleren te wassen. Allemaal naakte mensen en overal liggen en hangen kleren te drogen. Een kleurrijk plaatje! Het landschap doet hier IJslands aan (maar dan 30 graden warmer…), kokend water, stoom en de gele en oranje afzettingen van mineralen. Wel minder indrukwekkend trouwens… De mensen willen hier allemaal op de foto, maar ze zijn poedeltje naakt en het voelt alsof ik zwaar in overtreding ben… Als mensen in een pose zitten waarbij er even niet zoveel materiaal in zicht is maak ik snel een foto… Maar ja, dan springen ze op (en alles springt mee…) en willen ‘nog een keer!!!’ Als we ook bij de bronnen zijn uitgekeken, brengen we de scout terug en gaan wij naar het resort om te eten. Het is inmiddels halverwege de middag en we besluiten de hele middag hier lekker in de zon te blijven lummelen. Ik loop achter met het reisverslag, Stef leest en Daniel gaat Premier League kijken op televisie. Hij vraagt me steeds of ik mijn ‘Daily report’ al wel geschreven heb. Hij denkt echt dat door mijn reisverslag onze landgenoten massaal naar Ethiopië gaan trekken… Dus dan weten jullie wat je moet… 😉

‘s Avonds voetballen Manchester City en Arsenal tegen elkaar en eigenlijk wil Stef het laatste stuk ook wel zien. We vragen rond of iemand weet waar Daniel voetbal zit te kijken. Het meisje dat de slipper van Stef gemaakt heeft brengt ons er naartoe. Een pikkedonker hok met een heel klein televisietje in een hoek en heel veel donkere mensen die zwijgend naar dat beeldscherm zitten te turen… We durven nauwelijks naar binnen, haha! Arsenal verliest, Daniel baalt… Dan lopen we weer terug naar de tent, onderweg daar naartoe zien we vier zusjes langs de waterrand hun kleertjes wassen, de oudste is tien en de jongste vier… Ze leggen een kledingstuk half in het water, half in het grijze zand en stampen er dan bovenop. Een lange lijn prikkeldraad hangt vol met het schone wasgoed dat hangt te drogen. Het begint te schemeren en ze moeten dus gaan. We helpen ze even alle kleren van dat prikkeldraad af te peuteren, wat niet lukt zonder scheuren, maar een scheurtje meer of minder doet het hem niet… Het oudste meisje zoekt uit wat nog nat is en wat al droog is, ze knuppen alles op hun kleine ruggetjes en vertrekken. Stef en ik proberen ons te voor te stellen dat Meike hier bezig zou zijn met haar was… We kunnen ons er geen voorstelling van maken.


DAG 10
maandag 19 december – mijnwerkers en GFT-bak…

Dit is nu al de derde dag dat we niet kunnen douchen, sterker nog, hier is helemaal geen stromend water, we wassen ons dus maar gewoon helemaal niet, of met een handje water uit het prachtige, troebele, bruin-oranje meer. En als we er na afloop nog steeds uitzien als mijnwerkers en ruiken als een GFT-bak, maar toch tegen elkaar zeggen dat dat lekker opfrist, moeten we lachen… We zijn toch wel erg snel geïntegreerd, haha!

Vanavond zijn we weer in het hotel in Addis waar we de eerste nacht ook hebben geslapen, en daar is een douche! We kunnen echt niet wachten! Een groot deel van de ochtend rijden we, we ontbijten nog wel ergens op een terrasje, en Daniel wil op een marktje langs de weg nog even wat tomaten kopen voor zijn moeder en zijn zus. Hij koopt er wel twee of driehonderd! What the fuck zijn die van plan?? Bij dat marktje lopen trouwens ommeunige grote vogels, ze komen wel tot mijn schouder… Ik ben helemaal onder de indruk. Daniel vindt het helemaal niet boeiend en weet ook de naam niet… Ik dus ook niet! Daniel ligt steeds in een deuk als ik weer eens een keer tegen Stef loop te jubelen: ‘Kijk nou Stef! Snel Stef! Mooi hè Stef’ als ik ergens iets zie. En Stef vervolgens reageert met: ‘Oh ja, prachtig…’ (maar dan op z’n Stephans). Komedie noemt Daniel het, haha!

Tegen de middag zijn we in Addis. Daniel zet ons af bij het hotel en dan is het tijd om afscheid te nemen, we zullen hem niet meer terug zien. We geven hem klompjes die we uit Nederland hadden meegenomen en uiteraard wat geld. E-mailadressen uitgewisseld, dus we zullen elkaar ongetwijfeld nog spreken. Ik heb veel foto’s waar hij ook op staat (elke keer als ik een foto maak van stef, zegt hij: ‘I need also a picture’ Haha!) en ik heb beloofd die allemaal op te sturen. Vanavond gaan we uit hier in Addis, geen idee wat we moeten verwachten. We hebben een beetje het idee dat dit wel eens een erg toeristisch avondje kan gaan worden, maar als we niet gaan, liggen we toch weer vroeg te pitten…

De middag dus vrij, en omdat we nog geen idee hebben hoe laat dat vanavond (of vanmiddag) is, willen we ook niet meer heel ver bij het hotel weg gaan. We gaan dus maar sapjes drinken op het terras, biscuitjes kopen in de supermarkt, weer sapjes drinken op het terras, het reisverslag bijwerken. En uitzoeken welke spullen we in het noorden niet meer nodig hebben, want die laten we achter hier in Addis. En nog meer sapjes drinken op het terras… Had ik eigenlijk al wel gezegd hoe lekker die zijn?! 😉

We hebben net Gerard gebeld om wat te wijzigen in het programma, die kilometers in de auto breken Stephan echt een beetje op (zelfs Daniel en ik hadden soms last van onze rug), en we hebben nu besloten om vanaf het noorden terug te vliegen naar Addis Abeba, i.p.v. terug te rijden. Dat scheelt ons twee lange dagen in de auto, en zo hebben we voordat we naar huis gaan nog een extra dag in Addis om rustig aan te doen. Volgens Gerard zijn de wegen in het noorden wel beter dan in het zuiden, dus dat zal vast beter gaan…


DAG 11
dinsdag 20 december – kilometervreters

Het avondje uit gisteravond was helemaal niet toeristisch, heel erg leuk zelfs! Het was gewoon een restaurantje waar de locals ook naartoe gaan, met traditionele muziek en dans. En jonge, dat dansen… Niet normaal! Ze doen hier iets met hun schouders, waardoor het lijkt alsof die steeds uit de kom gaat of zo, en dan supersnel. We hadden dat de afgelopen week al een paar keer eerder gezien en hebben het zelf uiteraard ook geprobeerd, maar dat lukt echt voor geen meter… Zo apart! Daniel vond het hilarisch… Echt iedereen kan dat hier, de gasten die zaten te eten deden een beetje heanig an mee… Een blanke valt echt uit elkaar als die dat zou doen geloof ik, we voelden ons echt spierwit, lomp en stijf!

En vandaag dus voor het eerst met de nieuwe ‘driver’ Kassa op pad… Het is nog even wennen… Hij gaat niet bij ons zitten tijdens koffie drinken of eten, en als we vragen of hij erbij komt, gaat ie zitten, gooit z’n koffie achterover en gaat weer… We weten niet of hij dat doet omdat hij het gewoon niet leuk vindt, of dat hij denkt dat hij ons tot last is. Ik hoop dat eerste, want dat laatste is zeker niet het geval. We zouden het juist wel gezellig vinden… Zijn engels is ook nog even lastig te verstaan en andersom geldt dat trouwens ook (Stephan: ‘How long are you a driver?’ Kassa: ‘I think about an hour.’). Haha, Stephan raakt er echt gefrustreerd van dat niemand hem verstaat… Daniel zei steeds als Stef wat wil zeggen: ‘Tessa translate’. Stephan gaat halverwege zijn zin vaak over op het Duits, tja, en dan wordt het knap lastig voor die gasten hier hè…

Vandaag was echt een lange reisdag, we waren alle drie blij dat we over waren… Onderweg zeven of acht ongelukken gezien, en heel heftig, vrachtwagens en grote personenbussen op de kant… Bij sommige wisten we haast wel zeker dat de chauffeur het niet overleefd kan hebben. Het was een goede weg, asfalt, waardoor je best wel hard kunt rijden, maar ook hier lopen overal geiten, koeien, ezels en mensen op de weg. En als er dan plotseling iemand oversteekt en je trekt aan je stuur, tja, dan ga je… Maar Kassa reed echt rustig gelukkig. Ook nu weer apen in de berm en een hele groep gieren, we blijven onze ogen uitkijken! Het landschap is hier heel anders dan in het zuiden, we hebben hele hoge bergen gezien en een hele diepe kloof die door de blauwe nijl is uitgesleten, echt spectaculair! Vergelijkbaar met de Verdon in Frankrijk. En overal zijn mensen aan het oogsten op het land, precies op dezelfde manier als we ook in Tibet gezien hebben.

Ook hier weer kindjes die naar ons zwaaien en bij een fotostop van die rieten mandjes willen verkopen. Ze drukken die mandjes gewoon in de mouw van mijn trui, haha!
Maar ik heb liever dat ze wat willen verkopen, dan dat ze zomaar hun handje ophouden. We willen niks geven aan bedelende kindjes en dat is tot nu toe gelukt, we kopen wel vaak wat van die goedbedoelde rotzooi. Maar we kunnen onmogelijk van iedereen iets kopen en ook deze mandjes laten we voor wat het was. Maar die teleurgestelde gezichtjes als we weer de auto instappen gaan echt door merg en been… En wat ook opviel vandaag was dat we heel veel gehandicapte mensen, maar ook dieren gezien hebben. In het zuiden was dat bijna helemaal niet… Heel veel mensen die een been missen (en dan niet op krukken lopen, maar met een tak uit een boom vooruit proberen te komen…), maar ook mensen met ernstige vergroeiingen. En ezels en honden die ooit een poot hebben gebroken en waar nu een haakse hoek in zit. Echt schokkend!

Langs de weg zien we nu voor het eerst ook heel veel hardlopers, en we komen ook langs een soort atletiekbaan waar een onuitputtelijke voorraad Ethiopische hardlopers iedere dag komt werken aan die ene grote droom: Uitblinken in de wereldtop, voor veel Ethiopiërs de enige ontsnappingsmogelijkheid uit de armoede. De prijzen die worden uitgekeerd op internationale atletiekwedstrijden zijn voor Ethiopische begrippen natuurlijk gigantisch. Hardlopers zijn Ethiopië’s nationale exportproduct, in hun eigen land zijn het sterren. Er doen verschillende verhalen de ronde over het geheim van hun succes. Er wordt gewezen op de hoogte waarop ze wonen, hun atletische lichaamsbouw en een ideale voeding (de graansoort teff waarvan injera gemaakt wordt). En allemaal zal dat best wel meespelen, maar de belangrijkste reden is volgens mij dat ze gewoon keihard werken. Door hun levensomstandigheden zijn ze gewend zichzelf af te beulen. En daarnaast wordt er in het dagelijkse leven, ook in dat van de niet sporters, veel meer gerend dan bij ons. Gewoon omdat ze ergens naartoe moeten… En de snelheid waarmee ze hier langs de kant van de weg rennen is echt bizar, dat heeft niks met het hardlopen wat Nederlanders doen te maken. Volgens mij zou ik ze met de fiets nauwelijks bij kunnen houden…

De kamer in het hotel waar we nu zijn is een beetje viezig, maar geeft niks… We hebben wel een douche (met warm water!) en wifi! En zitten dus in het zonnetje, op het terras, met een lekker koud drankje te whats-appen met het thuisfront (die lekker sneeuw aan het ruimen zijn, haha!).


DAG 12
woensdag 21 december – kroamschudd’n in Mariaparochie

Een relax-dagje… Om 8:30 stappen we op een bootje dat ons over het Tana meer gaat varen. Twee Duitse jongens gaan vandaag met ons mee… Stef is blij dat hij even Duits kan praten, maar al snel zijn we erachter dat dat na 12 dagen Engels helemaal niet meer zo makkelijk gaat… En zo praten we uiteindelijk ook met deze Duitsers toch voornamelijk Engels… Het Tana meer op zich is niet heel bijzonder. Maar in het meer liggen heel veel kleine eilandjes die bijna allemaal hun eigen Orthodoxe klooster hebben. Ooit hebben ze hun religieuze schatten naar deze eilanden gebracht, om ze te beschermen tegen rovers, en heel veel jaren later zijn die er nog steeds. Overal zien we kronen en kruizen in houten huisjes, maar eerlijk gezegd maakt het maar weinig indruk…

Wat wel erg mooi is zijn de kloosters op zich. Ze liggen steeds ergens verscholen in de bossen en alleen al de wandeling er naartoe is de moeite waard. In de kloosters leven nog steeds monniken, maar we hebben niet het geluk dat ze met een ceremonie bezig zijn. We zien wel een priester zitten in een geel gewaad die ons wenkt met hem mee te gaan. We kijken even de gids aan om te peilen of het oké is… Hij lacht en zegt dat we niet zo wantrouwig hoeven te zijn. We kruipen met het mannetje mee naar de ingang van zijn hutje, echt zo primitief! En zo ongelofelijk klein! Het is zo’n klein rond hutje waar hij dan ook nog een verdiepinkje in heeft gemaakt, hij woont bovenin, net onder het dakje en kan nauwelijks rechtop zitten… Wij passen er in ieder geval niet meer bij in en blijven bij de ingang zitten. We geven hem een paar birr en als ik vraag of ik een foto mag maken pakt hij een boekje en doet alsof hij leest. Haha, beetje jammer… Maar wel leuk voor de foto.

In de kloosters zijn heel veel schilderingen aangebracht. De gids houdt niet meer op met het uitleggen van de schilderingen die het Bijbelverhaal vertellen… Dat verhaal is mijn leven lang al een beetje aan me voorbij gegaan en datzelfde gebeurt hier ook. Ik neem me wel voor om hem eens een keer te gaan lezen… Eén van die Duitse jongens (her)kent echt alle personen, wij alleen de personen die in ‘Kroamschudd’n in Mariaparochie’ voorkomen, haha! Kaspar, Balthazar en Sjeerááárrrr… Oja, en den klean’n potboan… Na twee kloosters vinden wij het eigenlijk wel mooi geweest. En die twee Duitsers blijkbaar ook, want wanneer de gids naar een klooster wil waar alleen mannen binnen mogen, zeggen ze dat we die maar over moeten slaan, omdat dat voor mij niet zo leuk is… Haha, heel diplomatiek… We besluiten om een stukje de Blauwe Nijl op te varen. Ik weet ondertussen nog steeds niet of dat nou DÉ nijl is, en of die ook daadwerkelijk hier ontspringt. Ik heb dat al aan zoveel mensen proberen te vragen hier, maar niemand begrijpt het, of ze weten het gewoon niet. Maar ik heb gegoogeld… De Blauwe Nijl ontspringt inderdaad hier in het Tana meer, in Soedan komt deze samen met de Witte Nijl en vervolgens wordt dat de bekende Nijl (Hans, had je toch voor de helft gelijk…). Hier zitten ook nijlpaarden, maar die laten zich niet zien. Vooral jammer voor de Duitse jongens, want die hebben ze nog niet eerder gezien.

Dan varen we terug naar het hotel waar Kassa ook weer terug is, die is niet mee geweest omdat er een probleem was met de auto, hij is naar de garage geweest. Een stukje stroomafwaarts ligt de Blue Nile Falls, oftewel de Blauwe Nijl Watervallen, het is maar een klein stukje rijden, dus dat gaan we ook nog maar even doen… Ik had gelezen dat die waterval niet meer de gigantische waterval is die het ooit geweest is, vanwege een waterkrachtcentrale die ze gebouwd hebben. Sommige mensen noemden het zelfs een zielig stroompje… Maar ik vind het verre van dat! Ben erg verrast over de enorme watermassa die hier tientallen meters omlaag dendert! (later horen we dat momenteel een deel van de dam open staat, vandaar zoveel water). De gids die hier met ons mee gaat is echt een wereldvent! Hij steekt ons steeds de gek aan, en wij hem, en we liggen constant in een deuk… Er zijn hier ook wat kindjes die ons vragen om geld. Hij excuseert zich en zegt dat dat jammer genoeg de zwakte van Ethiopië is, maar dat ze zich dat nooit gerealiseerd hebben. Hij geeft aan dat zij nooit door hebben gehad dat ze de spaarzame toeristen daarmee hun land regelrecht weer uitjagen, gewoon omdat hen manier van leven totaal anders is dan de onze. Nu worden gidsen opgeleid, en ze leren ook hoe ze met westerlingen om moeten gaan. Maar hij begrijpt dat er nog een lange weg te gaan is… Nog niet alles is onder controle zegt hij. Haha, een mega understatement! En de bedelaartjes zijn hier inderdaad wel een probleem, en ook wij irriteren ons echt wel soms. Maar de manier waarmee je er zelf mee omgaat kan ook het verschil maken. Als een kindje ons vraagt om geld of zijn handje uitsteekt, dan prikken we in z’n buikje en al gauw gillen ze het dan uit van plezier, prikken terug, vinden het spelletje al gauw veel leuker, en denken ze nooit meer aan die ene birr…
Eerlijk gezegd storen we ons er niet zo aan, en los daarvan vraagt het overgrote deel van de mensen hier helemaal nergens om en zijn ze gewoon alleen maar heel erg lief en behulpzaam. Als we weer terug bij Kassa zijn vraagt de ’local guide’ of hij ons e-mailadres mag, en hij blijft maar controleren of hij alle letters goed kan lezen… We zouden het erg leuk vinden nog eens van hem te horen! Er was een plant waarvan de blaadjes dicht gingen als je hem aanraakt. Ik deed dat nog wel een beetje subtiel, maar Stef slaat er lekker op los… Zegt die vent met een stalen gezicht: Stiefan, als je het heel hard doet kan het zijn dat de hele plant boos op je wordt… En daarna giert ie het dan uit… Haha! Moest je bij zijn vrees ik…

Ook Kassa blijkt vandaag een hele lieve man te zijn, die het gewoon alleen maar heel erg goed wil doen voor ons. Zo goed zelfs, dat we ons daardoor een beetje opgelaten voelen. Gewoon normaal is goed genoeg… Maar hij bedoelt het allemaal supergoed. Zelfs gisteravond na die hele lange reisdag vroeg hij of we nog ergens naartoe wilden en dat hij ons dan wel zou brengen en halen… Lief toch?! Na de waterval vragen we Kassa ons eerder af te zetten, zodat we het laatste stuk kunnen lopen en zo ook nog wat van de stad Bahir Dar te kunnen zien. Kassa zegt dat hij als we te lang wegblijven wel een keer een rondje zal rijden om te kijken waar we zijn… Wij zeggen dat dat echt niet nodig is en dat hij gewoon kan gaan doen waar hij zin in heeft.

Bahir Dar is op het eerste oog een mooie, schone stad die eigenlijk helemaal niet Afrikaans aan doet. We zien een hele brede boulevard met aan beide zijden een rij palmbomen, en helemaal geen druk verkeer zoals in Addis. Er wordt van alles verkocht, ook qat. Een soort softdrugs die hier heel erg populair is. Ze kauwen 10 minuten op de bladeren van de qat-plant en slikken vervolgens de sappen door, wat voor een roesje zorgt. We liggen steeds in een deuk om hoeveel kleren de mensen hier aan hebben bij deze temperaturen. Wij lopen in een korte broek, hempje en slippers, en hier hebben sommige mensen gewoon een winterjas aan of een muts op, want het is hier namelijk wel winter hoor! Haha! Die thermostaat in hun lichaam staat duidelijk een heel stuk hoger afgesteld dan die van ons…

Maar ook hier zijn we er al gauw achter dat die grote promenade alleen de eerste aanblik is, want ongeacht welk straatje we links of rechts inslaan, we zien meteen weer de zandweggetjes met overal de golfplaten huisjes… De avond brengen we door bij een juice-bar (waar anders), onder de douche en vervolgens op het terras bij de lodge om het reisverslag bij te werken.


DAG 13
Donderdag 22 december – pizza met cola

Na een fijn en niet al te lang ritje zijn we die ochtend al snel in Gondar, ooit de hoofdstad van Ethiopië en tevens de plek waar de koning lange tijd gewoond heeft. We gaan Fasil Castle bekijken, het paleis dat koning Fasil in 1632 gebouwd heeft. Eigenlijk ben ik nu opnieuw geneigd om een lang verhaal te gaan beginnen over de vroegere geschiedenis van Ethiopie… Maar aangezien mijn (overigens zeer interessante 😉 informatie over de latere geschiedenis ook al niet zo gewaardeerd werd, zal ik jullie dit maar besparen… 😉

Het is best leuk, en even iets heel anders dan wat we tot nu toe gezien hebben van dit land. De gids die met ons meeloopt maakt het ook echt interessant, zelfs Stephan doet zo nu en dan even navraag als hij denkt iets niet goed te hebben verstaan.

We blijven in Gondar lunchen… We krijgen de kaart en de bestelling gaat als volgt:
‘Pizza salami and roasted potatoes’
Ze loopt weg en komt terug…
‘Sorry, no potatoes today’
‘No problem, pizza salami and lasagna’
Ze loopt weg en komt terug…
‘Sorry, no lasagna today’
‘Ok, two pizza’s please… And a mango juice and a pineapple juice’
Ze loopt weg en komt terug…
‘Sorry, no pineapple juice today’
‘Godsamme!!! Doe dan maar cola!’

Haha! En dit is meer regel dan uitzondering… De helft van wat er op de kaart staat hebben ze gewoon niet… Maar ook pizza met cola is prima! We eten hier zo gezond… Het einde van de lunch op het heerlijk zonnige dakterras is het begin van een helse rit richting de Simien Mountains. De weg is ook hier weer superslecht… En enorm droog, we komen door dorpjes waar alles: mensen, hun kleren, hun huizen, hun dieren, de spaarzame bomen en struiken, echt alles dezelfde kleur heeft, de kleur van stof! Werkelijk alles is hier bedekt met een laagje heel fijn zand. Het doet bijna spookachtig aan… Als we zo’n dorpje passeren doet onze auto stof opwaaien en zien we sommige mensen hun shamma of jas voor hun mond slaan. Anderen lijken zich niet te storen en zuigen die stofwolk dus fijn hun longen binnen. En dat is niet alleen nu, omdat wij toevallig passeren, maar dag in dag uit bij elk voertuig dat langs komt… Hoe kun je op zo’n plek leven?

In één van deze dorpjes gaat Kassa even wat regelen voor morgen zegt hij. Als hij terug komt is ons al snel duidelijk dat we niet zomaar even met Kassa een rondje gaan wandelen morgen. Er gaat een meisje mee dat voor ons allemaal gaat koken de komende dagen, een scout die ons met zijn geweer moet beschermen tegen we weten weer niet wat, en nog een gids, een local guide zoals Kassa ze steeds noemt. Het is dus gezellig vol in de auto, haha! Het voelt ondertussen ook al niet meer zo heel bezwaarlijk dat er een hele groep mensen moet worden opgetrommeld om het ons naar de zin te maken. Dat is hier heel normaal en erg goed voor de werkgelegenheid, haha!

En dan rijden we alvast een eind de bergen in, zien een paar keer een groep van wel honderd gelada baboons (apen) bij elkaar en vlak voordat het donker wordt komen we aan bij het kamp waar we gaan overnachten vannacht. Er staan al heel veel tentjes en de meeste mensen zijn al aan het eten. Wij zijn de laatste die aankomen vanavond en in de schemer zetten we snel onze tent op. Lamlam maakt een donders lekker soepje voor ons, en pasta die niet te vreten is… Het is hier knap koud en wij trekken alle kleren aan die we bij ons hebben, twee thermoshirts, een fleecetrui, een windjack, een legging en een lange broek erover. Het is echt hilarisch hoe de locals zich inpakken, alsof het hier 20 graden vriest. Ze zitten allemaal in dekens gerold, zelfs over hun hoofd hebben ze dekens, terwijl het niet veel kouder zal zijn dan rond het vriespunt gok ik. Als we het eten op hebben is het weliswaar nog heel vroeg in de avond, maar we kruipen toch maar in ons nest, lekker warm! Stephan leest een boekje en ik praat jullie ondertussen weer bij…


DAG 14
vrijdag 23 december – hoogteziekte

Eindelijk wordt het ochtend… Zowel ik als Kassa hebben de hele nacht geen oog dicht gedaan, het was echt koud! Was toch zo gek nog niet van die locals om je helemaal in de dekens te rollen… We hebben slaapzakken meegekregen die ‘beneden’ prima voldoen, maar niet bij deze temperaturen. We kruipen de tent uit zonder ons om te kleden, want alle kleren hebben we sinds gisteravond niet meer uitgehad. Alle scouts hebben de hele nacht buiten gezeten om het kamp te bewaken, zo nu en dan hoorde ik vannacht wel een groepje langs de tent lopen. En nu zitten ze met z’n allen op een rijtje aan de zijkant van het kamp onder dekentjes, net een stel pinguïns, erg grappig! Lamlam maakt een lekker ontbijtje voor ons allemaal en dan gaan we de bergen in. Eerst een klein stukje met de auto, tot het laatste kamp waar we niet verder mogen. De scout, de local guide en Stef en ik gaan lopend verder. Het is nu onder het vriespunt, want het water op de plassen is bevroren, net als mijn voeten… Al snel zien we een walia ibex, een heel zeldzaam soort bok-achtig beest, er bestaan er nog maar 500 op de hele wereld en die zitten alle 500 hier in de Simien Mountains. De scout loopt overal waar wij lopen, zelfs toen we gewoon rondom het kamp liepen. Terwijl iedereen er ons van verzekerd dat er eigenlijk geen gevaar dreigt, niet van dieren, maar ook niet van overvallers of ontvoerders. Naja, zo heeft hij toch maar mooi een baantje!

De natuur hier is echt adembenemend, en echt zo veel mooier dan ik verwacht had. Met Geit Pennkaamp als vader heb ik in mijn leven al heel veel bergen gezien, maar zoiets als dit heb ik nog nooit gezien… Niet persé mooier dan de Europese bergen en zeker niet als de Himalaya, maar gewoon heel apart. Uit de mistige dalen rijzen gigantische rotsen verticaal omhoog. Deze bergen zijn ontstaan uit vulkanische activiteit wat zorgt voor dit bizarre landschap. Ook leven er hier heel veel dieren, naast apen en de de walia ibex hebben we ook antilopes en gigantische roofvogels gezien, en ’s nachts schijnen er jakhalzen rond te struinen in ons kamp. Hoewel ik thuis iedere nacht moet plassen, laat ik dat hier dus maar even achterwege. Überhaupt lijkt het me niet zo heel erg comfortabel om naast die scout m’n broek te moeten laten zakken, haha!

Als we hoger komen veranderd het landschap, het wordt kaler en voor het eerst zien we nu ook de Giant Lobelia. Een plant die 10 meter hoog kan worden en pas na 20 jaar bloeit en vervolgens afsterft. Jammer genoeg hebben we ze niet in bloei gezien, maar dan nog zijn ze erg indrukwekkend. Het lopen valt hier zo hoog wel een beetje tegen vanwege de ijle lucht, en ik krijg al snel koppijn. Als we hoger en hoger komen raak ik compleet in de shit, hoogteziekte! Mijn kop barst bijna uit elkaar, ik ben misselijk en hartstikke duizelig. En met name dat laatste maakt dit toch al wat leipe klautertochtje echt gevaarlijk. Als we over een rotspaadje van nog geen meter breed moeten met links en rechts een verticale afgrond wil ik terug, maar de gids weet me er elke keer van te overtuigen om nog een topje hoger te klimmen. Uiteindelijk komen we bij een waanzinnig mooi uitkijkpunt, en ben ik toch nog een beetje blij dat we door gezet hebben, maar ik lig als een vaatdoek op de rotsen… Als het aan de gids en de scout ligt klimmen we nog een paar topjes verder, maar nu vindt ook Stef het mooi geweest, we gaan echt terug. Onderweg zien we weer een groepje walia ibexen en volgens de gids zijn we daarmee echt ‘lucky’. Hoewel het dalen makkelijk gaat als het omhoog klauteren kost iedere stap moeite. Voor mijn gevoel bereiken we na uren pas weer het kamp, dat ook nog steeds op 3600 meter hoogte ligt. Kassa ziet dat ik niet lekker ben en vraagt wat er aan de hand is. Ik zeg dat ik denk dat ik hoogteziek ben en hij vraagt dan of het niet beter is om te dalen en beneden te gaan slapen, in plaats van nog een nachtje in het kamp zoals gepland was. Eigenlijk sputtert niemand tegen… Ik zie het niet zitten om hier nog een avond en een nacht zo te blijven, Kassa vindt een tweede nacht wakker liggen van de kou geen leuk vooruitzicht en Stephan kan niet wachten om weer dichter bij het vliegveld te komen… Haha!

Bij het kamp zien we voor we vertrekken nog een groepje baboons vlakbij, ze trekken zich niks aan van onze aanwezigheid en gaan rustig door met waar ze mee bezig waren. Zelf als we naar ze toe lopen blijven ze gewoon zitten, het zou wel heel erg leuk zijn als we ze konden voeren, maar we realiseren ons dat we daarmee van deze apen net zulke krengen kweken als die in Nepal. Doen we dus maar niet…

En dan is het gelukkig tijd om te gaan, ik hang de hele weg met m’n kop bij Stephan op schoot en het lijkt opnieuw een eeuwigheid te duren voordat we terug zijn in Debark, het plaatsje waar we de gids, de scout en Lamlam achter laten. Kassa stelt voor hier ook een slaapplaats te gaan zoeken, maar Stef vraagt of we niet alvast een uurtje verder kunnen gaan rijden. Dat scheelt ons morgen reistijd en Debark is een gigantisch stoffig dorp en nodigt zeker niet uit om een middag te gaan lamballen. Kassa zegt dan dat we misschien beter helemaal terug kunnen rijden naar Gondar, dan hoeven we morgen nog maar een kort ritje naar Lalibela… Ik vraag hem of dat wel gaat, hij heeft immers ook niet geslapen vannacht. Geen probleem voor hem, is het morgen lekker relaxed zegt ie. En dus zijn we twee of drie uurtjes later alweer terug in Gondar, ik voel me ondertussen al weer bijna als vanouds, alleen die hoofdpijn trekt niet helemaal weg. We zoeken een hotelletje en gaan ons meteen douchen, we zijn echt smerig! De douche is hier ook weer fantastisch, de doucheslang is ergens halverwege de douchekop afgeknapt, waardoor we één straaltje water hebben ter hoogte van onze navel zo’n beetje… Wat een dag… We zouden bijna gaan verlangen naar een all-inclusive weekje Turkijke of zo…

En nu zitten we op het terras van het hotel te eten en naast ons tafeltje zit een gigantische grote gier! Waaaaahhhh!!! Toch maar niet naar Turkije!


DAG 15
zaterdag 24 december – Aiowat

Dat relaxte ritje van vandaag valt knap tegen. We verkijken ons hier elke keer heel erg op de afstanden. De weg is vandaag echt supergoed, maar je kunt gewoon niet hard rijden, want voor je het weet heb je er wat onder… Maar het is wel een hele mooie rit, dwars door de bergen. Bijna overal asfalt, waardoor het niet stuift en we lekker met het raampje open kunnen rijden. Onderweg stoppen we een paar keer om foto’s te maken en om te lunchen. In het plaatsje waar we lunchen zien we heel veel bouwplaatsen, zoals eigenlijk overal in het land. Enorm leuk om te zien! Zelfgemaakte stempels van takken uit de bomen. In plaats van een bouwlift hebben ze een schuine helling van boomstammetjes die zigzag omhoog loopt, waarover ze alle bouwmaterialen naar boven verplaatsen. Helaas zien we toch ook twee veel te kleine jongetjes aan het werk op de bouwplaats… Al gooien die alles erbij neer als wij langs komen en staan ze vanaf de verdieping te roepen en te zwaaien.

Halverwege de middag zijn we in Lalibela, heel mooi gelegen tegen een berghelling. De kamer die we hier hebben is de mooiste tot nu toe. Ook best schoon zelfs! Maar ondanks dat gooien we toch alleen de tassen achter de deur en gaan weer de straat op. We lopen eerst een tijdje over de hoofdweg en er loopt een gigantisch irritant rotjong met ons mee die zegt student te zijn, en volgend jaar af te kunnen studeren, maar dan heeft ie wel een bepaald boek nodig dat we bij een boekwinkeltje vlakbij kunnen gaan kopen, en of we dat even willen gaan doen… Nee dus! Vervolgens lopen we de hoofdweg af, de hele smalle zandpaadjes in waaraan de huisjes van de mensen liggen. Bij ieder huisje zwaait de hele familie ons gedag, we selam-en wat af… We zien twee jonge jongens met een karretje met spullen slepen, ze zijn aan het verhuizen. Of we even meegaan hun nieuwe huis kijken, en waarom ook niet. Hij zegt dat ze met vier jongens (jaar of 15 gokken we) dit ‘hok’ gaan huren, omdat hun ouders op het platteland wonen, maar dat veel te ver van de school vandaan is. Of het allemaal waar is, weten we niet, en als ze even later vragen om een bijdrage voor de huur (zucht…) zijn we het zat en gaan maar gauw weer verder.

We slenteren en zwaaien verder en ineens komt er een meisje naar ons toe rennen, vanaf een afstand staat ze te zwaaien en wenkt ons met haar handje naar haar toe te komen. We doen ons best, maar de paadjes zijn hier heel steil en vol met zand en grind, waardoor we op onze slippers steeds een stuk naar beneden glijden. Als ze ziet dat ik bijna op m’n bek ga, komt ze naar ons toe gerend en pakt mijn hand om te helpen. Echt zo schattig, ik denk dat ze een jaar of zes is… Mijn hand laat ze niet meer los en ze wijst steeds welke kant we op moeten lopen om we weten niet waar terecht te komen. Uiteraard eindigen we bij haar hutje, waar de rest van haar familie op het erfje zit. Een gezin met in totaal acht kinderen, en een oma en een opa.

Opa, echt een oude man, gaat op staan om zijn plek aan ons af te staan, we vragen of hij alsjeblieft weer wil gaan zitten… De broer kan goed Engels, en de kleine meisjes allemaal een paar woordjes. Het meisje heet Aiowat en rent gauw naar binnen om twee krukjes op te halen waar we kunnen gaan zitten. Melese (de broer) heeft gestudeerd, maar kan geen werk vinden wat daarbij aansluit. Als ik in hun hutje mag kijken is één wand helemaal behangen met foto’s van zijn afstuderen, diploma’s en geprinte A4-tjes met ‘congratulations’ erop. Even later komt ook zijn vader thuis van zijn werk met twee ezels in zijn kielzog. Dat werk betekent dat hij bij hun hut iedere dag grote basaltblokken met een hamer in kleine stukjes slaat, deze met zijn ezels wegbrengt naar twee kilometer bergafwaarts en vervolgens weer terug om het zelfde nog een keer te gaan doen, en dat vijf keer per dag!! Van dat puin maken ze hier wegen, we hebben al een paar keer eerder gezien dat ze die grote blokken met een hamer tot puin slaan, wat een leven… Totdat Melese een betere baan heeft helpt hij z’n vader daarbij, maar hij zegt het zelf al: ‘Heb ik daarvoor gestudeerd?’ Dat studeren hier is echt iets heel groots, waar ze heel erg trots op gaan… Ze vragen ons ook steeds op welke ‘grade’ wij gestudeerd hebben.

Het moet niet meevallen om op die manier twaalf monden te voeden… Melese zegt dat hij het zijn ouders af en toe wel kwalijk neemt dat ze acht kinderen op de wereld hebben gezet, terwijl er geen geld is om ze groot te brengen. ‘Familyplanning’, of eigenlijk het gebrek daaraan, is echt een groot probleem in dit land. Maar ondanks dat vragen ze ons nergens om, alleen of we koffie willen… Zullen we dat doen, of kunnen we dat echt niet maken? Ze hebben al zo weinig… De vier meisjes lopen in hele smerige, oude vodden en Aiowat heeft helemaal geen schoentjes. Haar voetjes zijn helemaal zwart en er zitten heel veel korstjes op. Wat zal zij blij zijn met de laarsjes van Meike… (we hebben van Christiaan en Marieke en van Brendy en Jurriaan schoentjes meegekregen die hun kids niet meer passen), maar die liggen in de lodge… We besluiten ze te gaan halen en staan op om te vertrekken. Als we even later terug komen met de schoentjes en we aan Aiowat vragen om ze aan te trekken glundert ze van alle kanten. Dat ritsje snapt ze niks van dus ik help haar er even in, een beetje te groot, maar dat gezichtje als ze door heeft dat ze ze mag houden!!! Echt onbetaalbaar! De tranen springen me in de ogen! Ze slaat haar beide handen voor haar mondje, totaal overdonderd door een paar tweedehands laarsjes…

Moeder is ondertussen bezig met alles klaar te zetten voor de koffieceremonie, naja, laat maar gaan dan… We zijn al een paar keer eerder gevraagd voor de koffieceremonie, een Ethiopische traditie, en eigenlijk ook wel nieuwsgierig. En op deze plek, bij deze lieve mensen is dat wel heel speciaal. Ondertussen komt er een zusje (Bisrat) dat we nog niet eerder hebben gezien naar buiten, van één oog is haar oogwit helemaal rood en er druipt allemaal etter over haar wangetje. Het oogje doet haar zoveel pijn dat ze het grootste deel van de dag in bed ligt, maar nu is ze toch wel nieuwsgierig naar wat er buiten allemaal gebeurt. Zij heeft slippertjes aan, voor zover je dat nog slippertjes kunt noemen, De hele zool onder haar hak is compleet weg. Eigenlijk heeft ze alleen nog een halve slipper om haar teentjes… We balen dat we niet het andere paar laarsjes ook hebben meegenomen, maar nemen ons voor morgen terug te gaan. Maar dat vertellen we ze nog maar niet.

De koffieceremonie duurt heel erg lang, op zich niet erg, want het is echt leuk, maar het begint te schemeren, en na het tweede kopje willen we dus terug naar de lodge, want bij daglicht zorgen de paadjes al bijna voor gebroken poten. Als we willen opstaan zegt ç.Melese dat we volgens de traditie drie kopjes zouden moeten drinken en dat hij ervoor zal zorgen dat we heelhuids terugkomen bij de lodge. En tuurlijk gaan we ze nu niet teleurstellen en wachten rustig tot ook het derde kopje koffie goed genoeg is om rond te delen. Ondertussen houden de kids ons lekker bezig, iedereen heeft een ballon en ik leer ze hoe ze die ballon kunnen laten piepen als ze het tuutje uit elkaar trekken terwijl ze de wind eruit laten lopen. Haha! Een groot succes! Na tien minuten is iedereen horendol!

Ondertussen maken ze ook nog injera en moeten we uiteraard mee eten (shit!), met tegenzin kauw ik een paar stukjes weg, maar deze is nog zuurder dan de eerdere injera’s die we geprobeerd hebben… De koffie is trouwens wel waanzinnig lekker! De lekkerste die we hier tot nu toe gehad hebben! Al die tijd dat we bij ze zijn kijkt Aiowat naar haar spiksplinternieuwe schoenen, echt zo schattig! Marieke, echt heel erg bedankt! Vooral namens Aiowat (‘ai em heppie’ zei ze…), maar ook Stef en ik hadden dit moment niet willen missen…

Hoe mooi de bergen hier ook zijn, hoe groot de kick wanneer zich een nijlpaard laat zien, hoe indrukwekkend alle kerken en tempels, niks overtreft dit soort spontane momentjes met mensen die we nog lang niet vergeten zijn… Ik vraag Melese of hun huis een postadres heeft. Maar hij moet lachen, blijkbaar een hele rare vraag… Niet dus! Maar als ik een brief of foto’s wil sturen kan dat naar een postvakje van iemand die ze kennen… Hij zegt het adres na te gaan vragen en dit vervolgens aan ons door te mailen (hij heeft een e-mailadres, al kan hij bijna nooit op internet). Ik ga thuis uitzoeken of het te doen is om kleertjes voor de meisjes op te gaan sturen. Dat vertel ik ze nog maar niet, want straks komt er weer niks van… Maar we hebben nu gezien hoe gelukkig we ze hier kunnen maken met onze (naar onze maatstaven) afdankertjes… En dat is echt wel een beetje moeite waard!


DAG 16
zondag 25 december – I want this, I want that

Eerste kerstdag, al ontbreekt het kerstgevoel hier volledig. Wat wel toevallig is dat we juist op eerste kerstdag de Rock Hewn Churches in Lalibela gaan bekijken, misschien wel de meest ‘holy’ plaats van heel Ethiopië. Tijdens het Ethiopische kerstfeest, op 7 januari, komen mensen van heinde en ver hier naartoe om het te vieren. Kassa vindt het in ieder geval heel speciaal dat we juist op deze dag hier zijn… En hoewel ik het zolang mogelijk heb proberen uit te stellen, vrees ik dat ik er niet langer aan ontkom om erover te schrijven… religie. Ik realiseer me dat ik totaal niet geschikt ben om hier iets over te zeggen, ik heb geen verstand van religie en denk dat ik op heel veel fronten bevooroordeeld ben. Maar Ethiopië is doordrenkt van religie, en voor de mensen hier is hun geloof iets heel belangrijks, dus doe ik dat toch. Om te voorkomen dat ik mensen voor de kop stoot doen degenen die zich erg betrokken voelen bij God er dan misschien ook goed aan om niet verder te lezen, haha!

Echt íedere Ethiopiër is gelovig, en niet zo’n beetje ook… Ze vinden het hier bijna ondenkbaar dat wij helemaal niet geloven, of in ieder geval heel weinig. Meer dan de helft van de Ethiopiërs is Orthodox Christelijk, een derde deel is Moslim en het laatste deel is een verzameling van verschillende andere geloven waaronder het Jodendom. De Ethiopiërs zijn er enorm trots op dat in hun land de aanhangers van alle verschillende geloven samen leven zonder daarover te ruziën. En juist datte, het feit dat we blijkbaar trots moeten zijn op het feit dat we elkaar niet de hersens inslaan, omdat die ander heel veel en ik misschien wel niks geloof, slaat wat mij betreft de spijker weer precies op de kop. Maar die discussie wil ik hier niet beginnen… Onze gids vertelt dat Ethiopiërs zich bij alles wat ze doen afvragen wat God ervan zal vinden, en bijna iedereen die we spreken wil weten welk geloof wij aanhangen. Ze kunnen maar niet begrijpen dat we weliswaar katholiek zijn, maar dat daarmee dan ook alles gezegd is… Dat we alleen maar naar de kerk gaan als er iemand trouwt of sterft en dat we eigenlijk niet eens echt weten wat het verschil is tussen katholieke christenen en orthodoxe christenen. Moeders, hierin zijn jullie ernstig tekort geschoten… 😉

Alle kerken hier in Lalibela zijn in ieder geval Orthodox, wat dat dan ook mag betekenen. We krijgen ook hier weer een local guide mee die er heel veel van weet. Zucht… En zelfs een meisje die de hele dag op onze slippers gaat passen die we uit moeten doen in de kerken. Als we het terrein oplopen is er op de binnenplaats een ceremonie bezig, honderden mensen in witte gewaden zitten zwijgend te luisteren naar de preek van de priester. Uiteraard loopt hier ook weer een doorgedraaide man in z’n nakie de boel te verstoren, en Stef vindt nu bij nader inzien dat hij er toch niet zo heel erg bekaaid vanaf is gekomen… Haha!

Ondertussen ga ik zelfs mensen herkennen op de schilderijen… Judas, Johannes de doper, St. George, Gabriel en natuurlijk Kaspar, Balthazar en Sjeerááárrrr… (goed hè Marja!? 😉 Het komt nog wel goed met ons…! Maar eerlijk gezegd boeit het ons allemaal niet zo, soms controleert de gids of we iets wat hij al eerder verteld heeft wel hebben onthouden. En meestal is dat dan niet zo. De helft van wat hij vertelt ontgaat mij, omdat ik dan met iets heel anders bezig ben… Mooi licht daar bij die deur, snel een foto maken! Hoe in godsnaam kom ik levend deze rots af op m‘n slippers? Zou die gids z’n baantje niet zo leuk vinden of kijkt ie altijd zo chagrijnig?

Maar de kerken op zich zijn echt indrukwekkend, ze zijn allemaal uit de rotsen gehakt. Ooit was dit gewoon een berghelling, hierin zijn ze in de 13e eeuw beginnen te beitelen en hebben ze in totaal 11 kerken uitgehakt, bizar! De hele ochtend gebruiken we om het noordelijk gelegen deel te bezoeken en in de middag gaan we terug voor de laatste vier kerken in het westelijke deel.

Tussen de middag gaat alles dicht en gaan wij even terug naar de lodge, we halen het andere paar laarsjes en gaan op zoek naar het huisje van Aiowat en haar familie.
Al snel horen we ze iets verderop lachen en roepen, ze wijzen ons het juiste paadje en al snel zijn we weer op hun erfje. We zien Bisrat, die met het ontstoken oogje en de kapotte slippers niet… We vragen waar ze is en ze ligt ook nu in bed, omdat ze het zonlicht niet kan verdragen aan haar ogen. We zeggen dat we ook schoentjes voor haar hebben en dan gaan ze haar toch even halen. Met haar arm voor haar ogen komt ze met uitgestoken handje naar ons toegelopen. Ze maakt een buiginkje en als we haar de laarsjes geven loopt ze snel weer naar binnen om ze aan te trekken. Eigenlijk willen we niet dat ze nog naar buiten komt met dat oog, maar ik wil voor Meike wel een foto maken. Dat doen we dus maar even binnen… Ook zij is dolgelukkig! Zo leuk! Als we willen gaan, vragen ze of we vanavond terug komen, ze willen een kerstdiner voor ons maken, maar we hebben afgesproken vanavond met Kassa naar een café te gaan om tej te drinken, honingwijn, de traditionele drank van Ethiopië. We beloven als we tijd hebben nog langs te komen, maar dat ze geen eten moeten maken voor ons.

Na het bezoekje gaan we nog even op terras zitten, en dan komt Kassa alweer voor het tweede deel van het kerkelijke gebeuren, eigenlijk allebei geen zin meer… Er is een begrafenis gaande, een gigantische stoet mensen met dezelfde witte gewaden schuift door de straten, een indrukwekkend gezicht. We blijven even staan kijken en dan beginnen we aan het rondje door de kerken, maar eerlijk gezegd vinden we het vooral allemaal een beetje veel van hetzelfde en na een uurtje zijn we dan ook al weer klaar… We gaan lopend terug naar het hotel, zodat we Kassa niet weer hoeven lastig te vallen en het is toch bergaf… We merken hier heel goed dat er in Lalibela veel toeristen komen. De kinderen lijken bijna getraind in het bedelen, ze kunnen nauwelijks Engels, alleen de woorden die ze nodig hebben om toeristen te vragen om wat dan ook.
Eén jongen loopt met ons mee: ‘My mother dead, my father dead, I have no shoes and I sleep on the stones’, en precies datzelfde zinnetje blijft ie maar herhalen. Als we vragen: ‘What is your name?’ verstaat hij het niet… Ja ja, beetje vreemd…

Twee andere jongens lopen achter Stephan aan: ‘I want your shirt, I want your cap, I want your shoes, I want ……….’. We worden helemaal gek en besluiten dan ook om de rest van de middag lekker te gaan lummelen binnen de hekken van de lodge. We zitten op het terras, wassen onze kleren in de wastafel (echt zo‘n heerlijk dankbaar werkje hier…), schrijven het reisverslag, douchen en dan op naar de kroeg!

Het stadje Lalibela heeft heel veel hotels en restaurantjes, die allemaal aan de hoofdstraat liggen. We denken dan ook daar ergens naartoe te gaan. Maar Kassa neemt ons mee de hoofdweg af, een zandpad in en tussen de struiken door komen we uiteindelijk bij een keetje… Het café! Van binnen erg leuk ingericht, helemaal traditioneel! Het is er superdruk, de tej is echt lekker, en het is gezellig! Een jongen met een soort gitaar zingt, en volgens Kassa is de complete tekst geïmproviseerd. Uiteraard ontkomen wij er ook niet aan… Iedereen moet lachen, en als ik Kassa vraag om te vertalen wat hij zong, is dat alleen maar positief. Ja ja… 😉
Voor Stefs rug zijn de bankjes hier niet echt een pretje en na een paar drankjes gaan we dus ook maar weer terug naar de lodge. Morgen om 5:30 opstaan! Lekker joh vakantie!


DAG 17
aandag 26 december – Voorbereidingen Danakil

Om zes uur zitten we al aan het ontbijt, we moeten vandaag naar Mekele, het beginpunt voor de reis naar de plek die ons eigenlijk naar Ethiopië heeft getrokken vanwege de documentaire van de BBC ‘the hottest place on earth’, oftewel de Danakil Depression. Niet de plek met de hoogste temperatuur ooit gemeten, al loopt de temperatuur hier ’s zomers regelmatig naar de 50+… Gelukkig is het nu winter… Maar Dallol heeft wereldwijd de hoogst gemiddelde temperatuur over het hele jaar gezien. Dat betekent dus ook dat het er nu in hartje winter nog steeds over de 40 graden is, pffff… Door dit extreme klimaat is het dan ook een van de meest onherbergzame gebieden ter wereld. Ook de bewoners, de Afar, schijnen niet de allervriendelijksten te zijn… Onderweg hebben we al een paar keer gehoord dat we erg dapper zijn dat we er naartoe gaan, dat geeft een lekker gevoel… NOT! Kassa zegt dat het een paar jaar geleden echt gevaarlijk was om dat gebied te bezoeken, ze lopen er allemaal met een Kalashnikov om de nek, en onze reisgids heeft het over ‘de schietgrage Afar’. Tegenwoordig schijnt het stukken beter te gaan, er gaat ook een Afar-man met ons mee morgen, om de goede vrede te bewaren.
Kassa denkt dat die agressiviteit een gevolg is van het leven in die extreme temperaturen, de hitte heeft ze gek gemaakt!

Tijdens de geweldige mooie rit, opnieuw door de bergen, weliswaar over slechte wegen, zien we het landschap steeds droger en droger worden. Bijna iedereen in Ethiopië leeft van de landbouw, overal langs de wegen zien we mensen van en naar het land lopen met voedsel op hun nek. Ik vraag Kassa hoe ze dat híer dan doen. Hij zegt dat ze tijdens het regenseizoen moeten zorgen dat de oogst dusdanig is dat ze daar de rest van het jaar van kunnen eten. Ineens snappen we hoe tegenvallende regen zorgt voor een regelrechte ramp!

Tegen twee uur in de middag zijn we in Mekele, Kassa moet nog van alles gaan regelen voor morgen, daarom zijn we vanmorgen ook zo vroeg vertrokken. Wij gaan ondertussen eten en van het zonnetje genieten en aan het einde van de middag gaan we boodschappen doen en water halen, want dat kunnen we de komende drie dagen nergens meer vinden. Kassa gaat met ons mee naar het centrum van Mekele, en we pakken de boodschappen en 24 (!!!) flessen water in zijn auto. Stef wil nog even een blouse kopen die hem in Danakil moet beschermen tegen de zon (behalve thermoshirts heeft hij geen lange mouwen bij zich). We zeggen Kassa dat hij niet hoeft te wachten en dat we wel ‘thuis’ komen. De kledingverkopers zijn erg opdringerig en steeds verlaten we zwaar over de zeik het zoveelste winkeltje. Op een soort marktje scoort hij toch z’n felbegeerde blousje en houden we een tuk tuk aan die ons terug brengt naar het hotel.

Audrey stuurt nog een smsje over het kerstdiner en mama’s zelfgemaakte slaatje en nu kunnen we de hele middag al nergens anders meer aan denken als aan Toosje’s slaatje…


DAG 18
dinsdag 27 december – Vieze vingers

En dan eindelijk, op naar de Danakil Depression! We gaan met een extra security auto (voor als er met één van de twee iets gebeurd), Kassa gaat mee, een chauffeur en een kok.Het is een heftige rit, de slechtste weg die we gehad  hebben. De omgeving wel weer mooi, bergen met verschillende kleuren (beetje als Landmannalaugar Auw).
Hoe verder we komen hoe ruwer de weg wordt en hoe hoger de temperaturen. Alsof alles hier schreeuwt dat dit het gebied van de Afar is, verder heeft niemand hier iets te zoeken… En ergens die ochtend begin ik me weer langzaam druk te maken (want daar heb ik immers alle tijd voor in de auto). Is dit wel echt verantwoord met al die wiebelige tektoniekplaten? Zijn wij wel bestand tegen die allesverzengende hitte? Gaat die bewaker zijn kalashnikov niet leegschieten op ons? En kan hij ons in z’n eentje behoeden voor een ontvoering? Komt Eritrea niet net vandaag Ethiopië binnenvallen om nog wat oud zeer uit de weg te ruimen? Eritrea ligt hier slechts een steenworp vandaan, naja, je moet wel ver kunnen smijten. En doordat de Ethiopische overheid maar weinig controle uitoefent in dit gebied, vinden hier relatief veel overvallen en ontvoeringen plaats.
Maar dat was juist avontuur vonden we thuis nog… Godver, waarom denk ik thuis altijd dat het nooit gek genoeg kan, maar zeik ik al in m’n broek terwijl er überhaupt nog niks gebeurd is?

In het laatste dorpje dat we tegenkomen moeten we de formele toestemming regelen van de Afar. Uiteindelijk kost dat twee hele hete uren, het is ongeveer 38 graden hier… Er is in het dorpje een tuorist ristuorat (ook zo geschreven) waar we wat gaan drinken. Kassa eet hier ook z’n lunch, maar dat lijkt ons niet zo’n heel erg goed idee… De kids hier zijn echt compleet losgeslagen, wel leuk hoor, maar vooral ook heel erg druk. En tis a zo heet! Ze ontdekken dat wanneer ze met een vinger heel hard op mijn verbrande armen drukken, daar een paar seconde een wit vlekje ontstaat. En zo zitten er dus wel 50 natte, smerige, vette, kleverige vingertjes in mijn armen en benen te prikken, die ik de komende drie dagen niet meer kan wassen… Als we na twee uur weer verder kunnen plak ik van alle kanten. Uit het dorp hebben we nu ook een scout opgepikt die mee moet, en die loopt vrolijk met een kalashnikov in het rond te zwaaien. Telkens als de loop per ongeluk op ons gericht is, springen we voor de zekerheid toch maar een metertje opzij.

Na de middag zijn we bij het kamp waar we de tent op gaan zetten. Het is hier echt bloedje heet, 45 graden! Omdat hier, zo dicht bij de evenaar, de zon vrijwel recht boven ons is (zelfs in de winter), is er bijna geen schaduw… We staan met onze ruggen naast elkaar tegen de auto’s aan, zodat we dat hele kleine beetje schaduw dat er is, niet verspillen. En dan nog hebben we het zweet blaank veur de kop stoan. Hoe later het wordt, hoe langer ook de schaduwen worden. Overal in het kamp staan bedjes van hout en touw, die zetten we langs de hut en ik ga liggen lezen. Stef loopt ondertussen wat door het kamp. En ook als de zon ondergaat blijft het warm… In de hut eten we ommeunig lekkere spaghetti terwijl bij iedereen het zweet van het voorhoofd lekt, eet smakelijk!

Kassa vraagt of we morgenvroeg heel vroeg richting Dallol willen vertrekken, zodat het nog niet zo heet is. Dan zijn we ook eerder terug in het kamp en kunnen we wellicht alvast een stuk terug rijden richting Mekele. We zouden eigenlijk nog een nacht in het kamp blijven, maar Kassa zegt: ‘Dan zitten we er morgenmiddag weer zo bij…’. We vinden het eigenlijk wel een goed idee en Kassa stelt voor af te wachten hoe laat we terug zijn en dan te beslissen wat we doen.

We liggen die avond heel vroeg in bed en ik kan het niet meer opbrengen om het reisverslag te schrijven, dat zien we morgen wel weer…


DAG 19
woensdag 28 december – Zout, zwavel en zweet

Nog voordat het licht is, is de tent alweer afgebroken. En als het een klein beetje begint te schemeren gaan we al op pad. In het kamp liggen nu op al die houten bedjes Afar-mensen in lakens gerold te slapen, gewoon buiten! Er gaan vier (!!!) soldaten met ons mee, nog een Afar, de scout en de chauffeur en uiteraard oons Kassa. We wanen ons midden in Tour of duty! Hoewel de Afar tot nu toe best vriendelijk waren worden we nu aangehouden door een groepje die water willen. Kassa geeft ze een fles en zegt tegen ons dat we die maar beter gewoon kunnen geven om problemen te voorkomen. Hmmm…

Onderweg zien we heel veel kamelenkaravanen die onderweg zijn naar de zoutvlakte. Echt indrukwekkend hoe rijen van wel meer dan honderd kamelen voorbij sjokken!
En niet veel later zijn wij dan ook bij de zoutvlakte, we stappen even uit bij de plek waar honderden Afars bezig zijn om het zout in kleinere, rechte blokken te hakken, die straks door de kamelen worden opgehaald. Wat een pokkewerk weer zeg, en dat in deze hitte… Ze lijken zich overigens niet aan ons te storen en sommigen roepen ons zelf vrolijk toe. Door alles wat ik gelezen en gehoord heb ben ik een beetje bang voor ze, maar vooralsnog lijkt dat gelukkig nergens voor nodig. En dan rijden we verder over de zoutvlakte, tot zover je kunt kijken zie we alleen maar zout! In totaal meer dan 1200 vierkante kilometer! De laag is ook nog eens tientallen meters dik, waardoor het lijkt alsof de Afar hier onbeperkt uit kan blijven putten.

Al heel snel daarna zijn we bij de plek waar het hier voor de meeste bezoekers echt om gaat, het gigantische thermische veld met felgele vlekken, gifgroen kokend water en spierwitte en oranje afzettingen, tot zover je kunt kijken! En we zijn er zo vroeg in de ochtend helemaal alleen! Naja, samen met onze ´brothers in arms´, haha! De giftige zwaveldampen trekken onze neus in en zoeken zich een weg door onze luchtwegen… Vast heel erg gezond… Maar nog even doorbijten, want hier komen we zonder twijfel écht nooit weer. Deze buitenaardse vlakte is verreweg het meest bizarre landschap dat ik ooit voor m’n lens gehad heb, dus ik moet het er nu wel even van nemen. Echt waanzinnig mooi!

De aardkorst onder onze voeten is hier heel erg dun. En waar er in IJsland dan overal touwtjes hingen die aangaven dat je niet verder mocht, is dat hier niet het geval… We lopen hier gewoon over knalgele en oranje korsten die we onder onze voeten bij elke stap horen breken. Best wel eng… Soms zak je er een klein stukje door en ik zie mezelf uiteraard al weer ergens onder de aardkorst verdwijnen… Het plakken, niet douchen en stof happen zorgt voor zwarte straaltjes angstzweet. Van achter ons horen we de scout regelmatig schreeuwen: ‘Left, left please’. En als we onze voet dan een halve meter meer naar links laten landen dan we van plan waren, mompelt ie een soort van ok. Haha, volgens mij zijn die waarschuwingen compleet willekeurig, want een halve meter verder ziet het er precies hetzelfde uit… Maar uit ervaring weten we inmiddels dat het soms wel slim is om toch maar gewoon naar de gids te luisteren, hoe hilarisch zijn aanwijzingen ook zijn… 😉
Dit thermische gebied is het resultaat van het bij elkaar komen van drie tektonische platen. Ook is dit één van de twee plekken op aarde waar de Midden-Oceanische rug boven het land zichtbaar is, de andere plek is IJsland.

Nadat we een hele tijd dwars door het thermische veld hebben gelopen zien we langzaam ook enkele andere toeristen aankomen in de verte. Voor ons het teken dat we moeten gaan. Het is ondertussen ook alweer over de 40 graden en de flessen water vliegen erdoor. We rijden nog naar een plek waar het zout bergen heeft gevormd. Weliswaar een stuk minder spectaculair, maar toch mooi om te zien. Op één plek zijn er een aantal pieken kort naast elkaar en Kassa noemt het grappend Manhattan. De hitte drijft ons terug naar de auto, wanneer het raampje open staat en je een beetje doorrijdt is het wel goed te doen, al voelt de wind dan nog als een föhn. Na weer een paar minuten over de zoutvlakte te hebben gereden komen we bij een hotspring, een enorme grote vijver met kokend water. Ook hier zijn er langs de kant weer allemaal vreemde afzettingen in felle kleuren. Ook hier breekt er weer regelmatig een stuk aardkorst onder onze voeten, en ze waarschuwen ons steeds goed uit te kijken. Maar das knap lastig als je niet weet waarvoor…

Op de terugweg terug naar het kamp komen we opnieuw bij de plek waar de Afars bezig zijn met het hakken van de zoutblokken. Inmiddels zijn de kamelen ook aangekomen en bij de meeste is de rug volgepakt met zout. We stappen ook hier weer even uit en wandelen wat tussen de kamelen en Afars door. En dan hebben we het gezien, en rijden terug naar het kamp waar we de soldaten en de Afar, en heel veel geld, achterlaten. Dat doen ze wel handig… Ze moeten mee om ons te beschermen tegen hun eigen volk en vragen daar vervolgens geld voor… Na anderhalf uur hobbelen begint de ellende, band lek! En dat op het heetste moment van de dag op zo’n beetje de heetste plek ter wereld. Shhiitttttt!!! Toch is dat bandje op zich snel verwisseld, en een kwartiertje later kunnen we al weer verder. Al gauw zijn we dan terug in het dorp met de drukke kids, we besluiten dan ook maar ondergedoken te blijven in het tuorist ristuorat. En na een half uurtje kunnen we weer gaan, terug bij de auto ontstaat er een discussie tussen Kassa en de Afar, een beetje angstaanjagend… Onder protest geeft Kassa ze geld. En als we weer rijden zegt hij dat er gisteren betaald is en ze nu extra geld willen. Stef vraagt waarom hij betaalt als de afspraken anders waren. Hij antwoord met: ‘Als we hier nog weer vandaan willen, zal ik wel moeten…’.

De securitycar blijft achter in het dorp, waarom wordt ons niet duidelijk. Volgens mij vonden die gasten het wel gezellig daar… En na opnieuw anderhalf uur rijden hoor ik weer een gek geluid. Volgens Kassa is het de reserveband die op het dak ligt te rappen. Maar uit eigenwijzigheid steek ik m’n kop uit het raam en ja hoor… Weer een lekke band! Kassa zegt dat hij nog een reservewiel onder de auto heeft hangen, maar na een uur lang bloed, zweet en tranen is dat wiel er nog niet af, muurvast! Tja, en dan… We hebben een beetje met Kassa te doen, hij is echt drijfnat van zweet en zit onder een dikke laag zand, zelfs zijn zwarte kroeshaar is nu net een bloemkool. We zijn een beetje over de zeik van die security wagen. Daar hebben we dik voor betaald en bij het eerste het beste akkefietje is die in geen velden en wegen te bekennen. We hebben hier alle drie geen telefoonbereik en moeten dus maar gewoon gaan zitten wachten totdat de security klaar is met alle gezelligheid in het dorp.

Vanuit tegengestelde richting komen er in anderhalf uur drie auto’s langs (die allemaal stoppen), maar die kunnen allemaal niks voor ons doen. Ze beloven ons de security wagen hier naartoe te sturen als ze die tegen komen. Als er een auto aan komt rijden met wegwerkers die dezelfde kant op gaat als ons stopt ook die, en die is bereid ons een wisselwiel te lenen! Een technische toevoeging van Stef: Iedereen rijdt hier met een Toyota, waardoor die wisselwielen altijd passen.

We rijden achter hun aan naar het overheidskamp dat hun thuisbasis is nu ze hier bezig zijn met de weg. Daar wisselen ze de band weer terug, plakken die van ons, wat al met al ook weer anderhalf uur duurt en dan eindelijk…, het is allang donker, kunnen we weer verder! Kassa klopt z’n shirt een beetje uit, maar eerlijk gezegd is daar geen kloppen aan… Stef trekt zijn nieuwe blouse uit en geeft die aan Kassa. Hij zou dat ding thuis toch nooit meer dragen. Hij bedankt Stephan en verontschuldigd zich totaal onnodig voor alle oponthoud van vandaag… Als iemand dit niet had gewild is hij dat wel. In het eerste het beste stadje dat we tegenkomen zoeken we een hotel, we nemen de lekkerste douche ooit! En snakken naar mama’s slaatje… 😉

Hoewel de weg van en naar Danakil echt de meest slechte was die we ooit zijn tegen gekomen, zou dat eigenlijk zo moeten blijven. Niet omdat we alle reizigers na ons het licht in de ogen niet gunnen. Maar gewoon omdat die slechte weg erbij hoort, dit plekje moet enigszins onbereikbaar blijven. Alle moeite die je moet doen om hier te komen, uren stuiteren in de auto, afzien in de hitte, dat móet gewoon! Het maakt het er dan eindelijk zijn veel specialer. Een beetje het verhaal van sauerkraut in een berghutje, dat smaakt ook lekkerder als je er lopend bent gekomen, in plaats van met een kabelbaantje.


DAG 20
donderdag 29 december – Hoe laat???

We zijn al vroeg wakker, en gaan dus maar uit bed. We doen lang over ons ontbijt en werken de achterstand in het reisverslag weer enigszins bij. Tegen half negen staat Kassa weer klaar voor het laatste stukje naar Mekele. Eerst gaan we in Wukro nog een kerkje bezoeken, er is een mis bezig. Binnen zijn een aantal monniken aan het zingen en op grote trommels aan het slaan. Buiten staan allemaal jongeren te zingen, te dansen en te trommelen, het gaat er hier een stuk vrolijker aan toe dan in De Lut in de kerk in ieder geval. Iedereen die de kerk binnengaat kust de kerk en wanneer er een priester vanachter een gordijn tevoorschijn komt, knielen de mensen om zijn voeten te kussen.
Ook Kassa doet mee in het hele gebeuren, Stef loopt een beetje rond met de camera en ik zit vanaf een muurtje een beetje onwennig te kijken naar alles wat er om me heen gebeurd. Stiekem ben ik van dit kleine, onbekende kerkje veel meer onder de indruk dan in het werelderfgoed stadje Lalibela… Maar volgens mij kunnen we dat beter voor ons houden… 😉

Na een heel kort ritje zijn we dan in Mekele. Kassa rijdt morgenvroeg terug naar Addis en wij vliegen morgenmiddag terug. Hij vraagt steeds of het wel in orde is met de tickets. Blijkbaar heeft hij met het kantoor van Gerard gebeld en schijnt de secretaresse niet te weten dat wij terug vliegen. We laten hem de tickets zien en pas dan is hij gerust gesteld. Er staat op dat we om vier uur terugvliegen, maar de tijd is hier ook weer zoiets… De Ethiopische klok telt twee keer twaalf uur, min of meer net als bij ons (al tellen wij eigenlijk één keer 24 uur). Alleen begint de tijd in Ethiopië met 0:00 uur te tellen op onze 6:00 uur in de ochtend. Onze 12:00 uur ’s middags is hier dus 6:00 uur. En bijvoorbeeld 16:00 uur en 4:00 uur is hier beide 10:00 uur Ethiopische tijd. We voelen ons echt een stel idioten, zo weinig snappen we er steeds van en als we een tijd afspreken met de gids duurt dat ook steeds heel erg lang. Gelukkig zijn zij wel gewend aan het geklungel van westerlingen en ze benadrukken dan ook meestal wel of ze over de Europese tijd of de Ethiopische tijd praten. Kassa wil zich zo nu en dan nog wel eens vergissen…
Maar ook al weten we of we over de Ethiopische of over de Europese tijd praten, dan nog zijn we het niet, want bedoelt hij nou de tijd die alle Ethiopiërs op hun horloge hebben en die zes uur afwijkt van onze Nederlandse tijd, of de GMT tijd van Ethiopië die maar twee uur afwijkt van onze Nederlandse tijd? Snappen jullie het nog? Wij soms even niet meer… En los van de andere telling, de 2 uur tijdsverschil en ons enorme geklungel, moeten we hier ook nog rekening houden met de Afrikaanse manier van omgaan met tijd en afspraken… Als we iemand vragen naar de tijd merken we dat ze dat een hele rare vraag vinden, en bijna nooit kan er iemand antwoord geven op die vraag. Want hoezo? Waarom in godsnaam zou je dat willen weten? Je gaat uit bed als je geen slaap meer hebt, gaat eten als je honger hebt, en gaat weer naar bed als je moe wordt. Toch?!??

Maar door dat geklooi met die tijd weten we nu even niet 100% zeker hoelaat we nou terug gaan vliegen, want is die tijd op het ticket nou de Ethiopische tijd of de GMT tijd?
Kassa durft het antwoord niet aan en we rijden voor de zekerheid even bij het ticket-office van Ethiopian Airlines langs voor opheldering. Het is de Europese tijd en om 14:00 morgenmiddag moeten we inchecken. Stef straalt… Zomaar in een uurtje 800 kilometer dichter bij huis!

Vervolgens rijden we terug naar het hotel waar we de nacht voordat we naar Danakil vertrokken ook hebben geslapen. Terwijl wij de spullen naar onze kamer brengen, en een kaartje voor Kassa schrijven die we samen met zijn fooi in een envelopje doen, besteld Kassa alvast wat drinken en een lunch op het terras. Hij bedankt voor het geld en vooral de kleine klompjes die ik uit Nederland had meegenomen vindt hij erg leuk! Daarna zet hij ons af in de stad en vanavond komt hij nog even terug om gedag te zeggen. Wij lopen een heel eind door de stad, Stef met zijn mobieltje voor zijn neus op zoek naar een wifi-verbinding, tevergeefs! Er is hier nergens geen draadloos netwerk beschikbaar.

Wat ook apart is, is de jaartelling hier. Ethiopië volgt niet de Gregoriaanse kalender maar hanteert de Julische variant. Een jaar bestaat uit 12 maanden van 30 dagen en 1 maand van 5 of 6 dagen. De jaartelling loopt ongeveer zeven jaar achter op de onze. Het is hier nu het jaar 2004. En dus zijn Stef en ik weer eventjes 24! De aanplakbiljetten van voetbalwedstrijden suggereren alsof die wedstrijd al jaren geleden gespeeld is… We hebben een paar mensen (ook priesters in Lalibela) gevraagd naar het verschil van die zeven jaar. We geloven allemaal immers in het Bijbelverhaal, van den klean’n potboan in Bethlehem. Maar wanneer is dat ventje nou dan geboren? Niemand kan een antwoord geven… Nadat we nog maar weer eens een keer een terrasje hebben gepakt lopen we terug naar ons hotel. De kids lopen allemaal net naar school en willen heel graag hun Engels op ons oefenen…

Bij het hotel opnieuw op het terras, het is echt verdomd lekker weer, ergens tussen de 25 en 30 graden. Stef leest de Telegraaf, waar we al drie weken mee in de backpack lopen rond te slepen (!!!), en ik schrijf aan het reisverslag… Wel lekker zo’n paar uurtjes lummelen, maar de middag is nog lang, de krant is uit en het reisverslag is weer bij gewerkt…

Lief dat jullie blijven vragen naar Stephans rug en onze ‘algehele gezondheid (haha)’. Stephans darmen waren na twee dagen alweer als vanouds, mijn hoofdpijn was ook met een dag opgelost, maar zijn rug blijft wel pijn doen. Gisteren met die lekke band heeft hij Kassa nog zo half wat geholpen en dat was ook geen goed idee… Hij is heel erg blij dat we geen lange stukken meer moeten rijden!

Als we morgen en overmorgen toch niet kunnen internetten, wensen we jullie alvast allemaal een hele fijne jaarwisseling… En ook daar zullen we niks van merken, want die vieren ze hier in september al!


DAG 21
vrijdag 30 december – zakkenrollers in actie deel 2

De eerste ochtend zonder programma, heerlijk! Vanmiddag om twee uur moeten we op het vliegveld zijn, en verder moeten we helemaal niks vandaag! Hoewel we dus uit kunnen slapen zijn we toch al vroeg wakker, ik laad alle foto’s en filmpjes even over naar het netbook en we laden alle batterijen weer op. Kassa rijdt vanmorgen weg uit Mekele, om over twee dagen aan te komen in Addis. Hoewel we het een beetje sneu voor hem vinden dat ie twee dagen helemaal alleen moet rijden, is Stef heel blij dat hij en zijn rug straks gewoon het vliegtuig in kunnen stappen. Als we vanmiddag terug zijn in Addis moeten we nog wat dingen afrekenen met Gerard, en we moeten nog een paar euro’s wisselen voor birrs, dus Stef stopt het meeste geld wat we bij ons hebben in zijn knip.

We zetten onze tassen bij de receptie neer en lopen dan nog even de stad in voor een terrasje. Na een uurtje slenteren loopt er iemand tegen Stef aan, trekt vervolgens Stefs hand uit zijn broekzak en zegt sorry terwijl hij aan z’n arm blijft schudden. Dat iedereen onze hand wil schudden is niks raars hier trouwens, maar dit was toch wel erg overdreven. Een beetje lacherig zeg ik: ‘Wat was dat dan voor ‘n gek? Heb je je knip nog wel?’ KUUUUUUUTTTTTT!!!! Knip weg! Waarschijnlijk heeft er eentje aan z’n arm staan trekken, terwijl een ander zijn portemonnee gerold heeft. Stef begint een beetje zenuwachtig heen en weer te lopen, maar we hebben niet gezien waar die gast naartoe ging. Een paar meisjes wijzen een straatje in en Stef rent achter hem aan, hoewel hij al lang uit het zicht verdwenen is… Een hele groep mensen komt op mij af en ik vertel ze dat Stephan beroofd is. Twee jongens rennen nu ook achter Stephan aan, maar die komt al teruglopen, onbegonnen werk… Hij is zwaar over de zeik en vertoont lichte kenmerken van discriminatie… (de exacte woordkeuze laat ik even achterwege…).

Wanneer we terug bij de kruising zijn waar het mis ging schieten ons zeker vijftig mensen te hulp, heel erg lief! Ze vragen hoe hij eruit zag en wat er allemaal weg is. Stephan begint al fikse beloningen uit te loven voor degene die zijn knip terug kan bezorgen. Iemand haalt een agent, maar die blijkt geen woord Engels te kunnen. De mensen op straat helpen vertalen en uiteindelijk neemt de agent ons mee naar een politiebureautje, en één van de omstanders (die we steeds: ‘the man with the red jacket’ noemen) gaat mee. Hij kan enigszins Engels… Bij de politie schieten we niet veel op. Ze spreken heel slecht Engels en er is iets met bevoegdheden of zo, waardoor ze hier geen officiële aangifte mogen maken. We moeten naar het hoofdkantoor, één van de agenten gaat met ons mee en ‘the man with the red jacket’ heeft zijn verhaal aan de agent vertelt en gaat weg. Hij vraagt nog wel eerst om ons telefoonnummer. We bedanken hem en lopen dan naar het hoofdkantoor.

Nou, prachtig hoofdkantoor, een heel klein, smerig hokje waar een bureautje staat en een bed waarop een agent ligt. Die gaat onze aangifte even voor elkaar maken… Ook deze agent spreekt geen woord Engels, maar gelukkig zit er een tolk die alles kan vertalen. Later blijkt dit iemand te zijn die net is opgepakt voor het bezit van marihuana, haha! Hij kent het drugsbeleid in Nederland en in het bijzijn van de agenten vertelt hij hoe fantastisch hij dat vindt. Haha, echt een leuk boefje! Ze pakken een kladblok-blaadje (zonder lijntjes zelfs) en beginnen er in hun vreemde schrift een verhaal op te schrijven. Ze willen alles van ons weten, om te beginnen het signalement van de dader, en daar hebben we als alerte burgers goed op gelet: ’Een Afrikaans uiterlijk en een buitenlands accent’. Daar kunnen ze dus weinig mee… En als we ze zeggen hoeveel geld we kwijt zijn (ongeveer EUR 700,-) trekken ze allemaal wit weg. Meer dan een gemiddeld jaarsalaris hier… Wat zal die klootzak lachen zeg! Dat onleesbare stuk tekst moet vervolgens worden doorgestuurd naar een hoger niveau in de Ethiopische politiewereld, en die kunnen het dan eventueel ook wel vertalen naar het Engels.

Er ontstaat een hele discussie over Stephans precieze naam. Hier krijg je blijkbaar eerst je eigen naam, dan je vaders naam en dan je grootvaders naam. Als wij zeggen dat dat bij ons niet zo is, alleen een voornaam, wat doopnamen en een achternaam, snappen ze er geen zak van. Ok, Stephan is zijn voornaam, Johannes zijn vaders naam (nog waar ook…), Gerardus zijn opa’s naam, en dan is het in orde… Dan is alles klaar, maar er moet nog een stempel op. En blijkbaar moet dat ding van ver komen, want we moeten daar even anderhalf uur op wachten… Watte?? Anderhalf uur wachten?? Over anderhalf uur zitten wij zo’n beetje in het vliegtuig! Nee nee, we moeten het vliegveld even bellen om te zeggen dat we later komen en dan met een andere vlucht mee gaan. Tuurlijk schatjes…!

Het nummer van de reisverzekering is samen met de knip ook verdwenen en ik bel eerst Audrey, dan Thijs en vervolgens dan toch maar mama voor het nummer. Ma, sorry dat we je de stuipen op het lijf hebben gejaagd, maar ik zei toch meteen al dat er niks aan de hand was en er alleen maar geld weg was…? (ma’s reactie: ‘eerste beste vliegtuug terug op hoes an!’)

We bellen ondertussen met Univé om te vragen of een compleet onleesbaar document genoeg is voor onze reisverzekering. We krijgen als antwoord dat ze begrijpen dat het hier ‘anders’ gaat… We vragen of de politie nog snel een kopietje kan maken van de aangifte, want de tijd begint te dringen… Oja, een kopietje… Dat kan! Ze pakken een carbonpapiertje en trekken de hele aangifte nog eens vakkundig over… (serieus!). Dan grissen we dat belachelijke papiertje mee en vertrekken. Ze adviseren nog wel om in Addis alsnog even bij de politie langs te gaan voor dat zeer belangrijke stempeltje…

Dan gauw terug naar het hotel, waar de taxi een half uur te laat komt. En we waren al over de zeik… Stef raakt een beetje zenuwachtig, en is bang dat zijn vliegtuigje zonder hem gaat vertrekken. Hij vraagt de taxichauffeur: ‘Do you misschien know how far het nog is’. Maar dat verstaat ie niet, zo raar! 😉
We zijn gelukkig wel op tijd op het vliegveld en na een vlucht van een uurtje zijn we terug in Addis waar Yakob ons bij het vliegveld oppikt en meerijdt naar de politie.
We geven Yakob de aangifte, hij vouwt het papier open en ik zie hem schrikken… Dit is geen Amhaars (de belangrijkste taal van Ethiopië) zegt ie, maar Tigray. En uiteraard is er niemand die dat kan lezen… Zucht! Morgenvroeg moeten we naar een ander kantoor toe om de hele aangifte opnieuw te gaan doen. Naja, wat jullie willen…
Eerlijk gezegd voel ik er meer voor om gewoon met dit formuliertje naar Univé te gaan, maar Stephan wil nog wel even moeite doen om het ook écht goed geregeld te krijgen.

Yakob zet ons af bij een hotel met wifi, waar we wat gaan eten en ondertussen proberen te internetten, maar dat gaat veel te traag… Gerard is naar ons hotel gekomen en belt of we nog terugkomen. We lopen terug en drinken met hem nog een biertje. Gerard redt ons uit de brand door ons geld te lenen voor de komende dagen, dat we vanuit Nederland terug kunnen betalen. Gelukkig maar, er schijnen hier wel een aantal pinautomaten te zijn, maar die werken maar zo af en toe… Vandaar ook dat we zoveel contant geld bij ons hadden.

Van Kassa hebben we nog een lief berichtje dat hij het zo vervelend voor ons vindt dat we ons geld kwijt zijn en dat hij hoopt dat we de laatste dagen nog wel kunnen genieten van onze vakantie. Echt een schat, we zien hem zondag nog terug, erg leuk!

En als we net op ons kamertje zijn gaat de telefoon, the man with the red jacket! Er is geen touw aan vast te knopen: ‘The police say nothing, Mekele, thief with wallet, your money, your boyfriend, I translate, lot of people’. Zoiets… Ik zeg een paar keer dat ik hem niet begrijp en dan zegt hij dat hij later terugbelt. Naja, dan heurt wie ‘t wa…

Inmiddels kunnen we het wel een beetje relativeren, en willen onze mening over alle lieve, warme en behulpzame mensen die we de afgelopen weken ontmoet hebben niet laten verpesten door één zo’n eikel! Een incidentje dat we maar zo snel mogelijk weer moeten vergeten! Wat ons nog het meeste frustreert is dat we alle mensen hier de hele wereld gunnen, maar dan net die ene rotte appel er met de hoofdprijs vandoor gaat… Hadden we nu maar alles in Kassa’s envelopje gestopt. Hadden we maar nog meer geld bij Aiowats familie achtergelaten. Of hadden we zelfs maar gewoon dat rotjong geld gegeven voor dat boek van hem dat misschien wel niet bestond…


DAG 22
zaterdag 31 december – Welkom in Addis Abeba

Om negen uur staan we opnieuw voor het zoveelste politiebureau. We worden gefouilleerd en de gevangenen die staan te luchten zwaaien ons door de tralies vrolijk toe…
Yakob doet het woord, geen idee wat er gezegd wordt, maar hij wordt bozer en bozer (Stef ook trouwens, terwijl hij geen idee heeft waar het over gaat…).

We moeten naar weer een ander politiebureau, op dit bureau mogen ze alleen dingen in behandeling nemen die in Addis zijn voorgevallen, blijkbaar was dat stempeltje echt heel erg belangrijk… We lopen naar het andere kantoor, de vijfde ondertussen, maar die is gesloten in het weekend, we moeten maandag maar even terug komen. Yakob wil alsnog een poging doen bij het eerste bureau waar we waren, maar we komen ook hier geen steek verder. En ergens kan ik het me ook nog wel voorstellen, dat blaadje wat we hebben kan iedereen hebben geschreven… We gaan maar weer terug, Yakob biedt aan om maandag met ons terug te gaan. Stephan belt voor de zoveelste keer met Univé om uit te leggen tegen welke muur van bureaucratie we hier oplopen en de medewerkster zegt dat we maar gewoon moeten opsturen wat we hebben. Met of zonder stempeltje…

Yakob zet ons af in Piazza, een buurtje met allemaal winkeltjes… We willen eigenlijk nog wat souvenirtjes meenemen voor thuis, maar ze hebben hier nergens geen toeristenwinkeltjes… Alleen maar kleren, schoenen en heel veel goudsmidjes. We vinden zelfs geen koelkastmagneet voor Marja! Stef is enigszins in zijn eer aangetast doordat nou net híj beroofd is en niet te genieten door dat hele gedoe bij de politie. De eerste de beste die met al zijn vriendelijkheid ons ‘Welkom in Addis Abeba’ wenst en onze handjes wil schudden krijgt de volle laag! Stef heeft voorlopig wel even genoeg handjes geschud… Op zijn, niet al te subtiele manier vraagt hij ze om een heel eind op te zouten! Ik schaam me dood…

We slenteren een heel eind door de stad en zien echt heel veel schrijnende dingen, het valt niet mee om je blik weer af te wenden en verder te lopen. Ik heb de neiging met open mond te blijven staan kijken… Sommige mensen hebben grote open zweren op hun benen en heel veel mensen waarvan de benen min of meer verkeerd om aan hun lichaam zitten. Een blinde man staat midden op een drukke weg en als ik hem in het langslopen per ongeluk raak, pakt hij mijn pols vast. Ik breng hem naar een stoepje terwijl ik weet dat hij over een paar minuten weer ergens zal staan waar de auto’s hem om de oren vliegen… De combinatie van zand, zweet en slippers blijkt geen optimale, en al gauw voel ik een blaar opkomen. Maar ik durf er nauwelijks over te klagen, we hebben hier zoveel korstige blote voetjes gezien…

Maar wat me het meeste is bijgebleven is een ziek jongetje op een kleedje op de stoep, terwijl zijn moeder houtskool probeert te verkopen… Een paar dagen voordat we vertrokken heb ik op de logeerkamer alle spullen bij elkaar gelegd die mee moesten naar Ethiopië. De vliegtickets, onze paspoorten, de visa en ons inentingspaspoort.
In dat inentingspaspoort hebben we voor ons bezoek aan Ethiopië weer heel wat nieuwe stempeltjes verzameld. Onze armen en billen zo vaak laten prikken dat ze er pijn van deden. Een dag doodziek (en zelfs klagend!!) in bed gelegen, omdat mijn lichaam volgepompt was met de beste medicijnen die er te krijgen zijn. Drie weken depressief en jankend als een zombie rond gelopen, omdat de (hele dure) malariatabletten getest moesten worden. En nu zien we hier dit doodzieke jongetje liggen, die alleen maar heeft kunnen dromen van vaccins die hem hiertegen hadden kunnen beschermen. De tranen springen me in de ogen als ik er aan denk dat de mensen hier, die hun leven lang zijn blootgesteld aan allerlei tropische ziektes, niks kunnen doen om zich hiertegen te beschermen. Terwijl wij rijke Europeanen ons volstoppen met heel veel dure spuiten, voor een verblijf van een paar weken… Sterker nog, voor een vakántie van een paar weken! Het is echt lastig om je hier niet over alles schuldig te gaan lopen voelen, over het geld in onze knip dat we hier niet met bakken tegelijk uitgeven (of weggeven), over de koekjes in de rugzak terwijl we vanmorgen ontbeten hebben en we er zelfs niet aan hoeven twijfelen of we vanavond wel weer iets te eten krijgen, over onze rijkeluisvoetjes die vanwege een paar veel te dure schoenen zelfs hier vrijwel onbeschadigd blijven, over deze hele reis die ons een paar Ethiopische jaarsalarissen gekost heeft. Eigenlijk gewoon over het feit dat zij hier geboren zijn en wij daar… En nu we zien hoe groot het verschil is tussen onze wereld en die van hen, doet dat vooral pijn, en kunnen we bijna niet meer blij zijn met hoe goed wij het hebben.

In ‘de grote stad’ kunnen we eigenlijk onze draai nooit zo vinden en we besluiten dan ook even terug te gaan om slippers te verruilen voor wandelschoenen. Dan wat te gaan eten en daarna de sloppenwijkjes in te gaan met de schoentjes van Luka en Sam. We hadden vanmorgen al wel een paar keer kindjes gezien die ze heel goed konden gebruiken, maar uiteraard lagen ze weer op onze kamer… Hier in Addis hebben de meeste kinderen trouwens wel iets aan hun voeten, bijna allemaal dragen ze van die harde waterschoentjes van plastic die ik vroeger zelf ook wel aan heb gehad. Al zijn ze hier vaak wel kapot… Luka’s schoentjes geven we aan een heel klein meisje, haar moeder is heel erg blij, maar die kleine smurf zelf snapt er niks van. Die is wel heel blij met het speelgoed van Sam.

De Cars-slippers van Sam geven we aan een meisje dat bij haar huisje aan het spelen is. Ze heeft wel schoenen aan, maar die zijn kapot, veel te groot en ook nog eens verschillend, aan één voet draagt ze een teenslipper en aan de andere een soort Crocs-schoen. Hun moeder is in eerste instantie een beetje argwanend, totdat ze door heeft dat we het echt wel goed bedoelen. Ook zij is erg blij met de schoenen voor haar meisje, en ze passen precies! Dan komt er een klein zusje om de hoek kijken, die ook waterschoentjes aan heeft, maar die kunnen we nu natuurlijk niet niks geven. En dus krijgt zij de lieveheerstbeestlaarsjes… Maar ze vindt de kleurtjes op de glimmende Cars-slippers veel mooier… Haha! Daar sta je dan met je goeie gedrag…

Tegen half zes zijn we terug in het hotel, we hebben echt de hele dag door de stad gelopen… En gaar nu! Stef zet de douche aan en jubelt: ’Oohh Tes, heel lekker warm water en ook nog best wel een grote straal!’. Jeeeuuuujjjjjj!!!! Daar waren we aan toe! We moeten wel heel snel douchen, want het boilertje is al gauw leeg en dus alsnog koud water… En dan is het oudejaarsavond (zonder slaatje van mama)… Haha, echt raar, het gaat compleet langs ons heen… Op straat weten de mensen vaak ook dat het onze oudejaarsdag is en wensen ons alvast een gelukkig nieuwjaar. Maar oliebollen, knieperkes en carbid voelen echt heel ver weg (de Boeskool voelt nog steeds een stuk dichterbij…).

We eten in een naastgelegen hotel en om negen uur wensen we elkaar een fijne jaarwisseling en tien minuten later liggen we te pitten!


DAG 23
zondag 1 januari – heuvels van Entoto

Vandaag weer met Kassa op pad, en dat vinden we allebei erg leuk! Hij was gisteravond pas heel laat terug uit Mekele en dus hebben we pas om 11:00 met hem afgesproken.
De hele ochtend rommelen we lekker wat aan, ontbijten en zitten eigenlijk de hele ochtend op het terras van het hotel. Ik lees wat in de reisgids en lees een stuk over zakkenrollers. Precies zoals het ook bij ons ging staat hier beschreven als de standaard werkwijze… We voelen ons echt sukkels! Er staan ook nog wat andere trucs beschreven die we ook herkennen, maar waar we gelukkig niet op in zijn gegaan…

Om 11:00 komt Kassa, en het eerste wat hij zegt is: ‘I feel so sad that you lost your money’. Hij voelt zich schuldig, omdat het een paar uur nadat hij bij ons weg is gegaan gebeurd is, maar dat is puur toeval natuurlijk… Met Kassa gaan we naar de heuvels van Entoto die net buiten de stad op 3000 meter hoogte liggen. Het uitzicht vanaf de heuvels over de stad is echt geweldig! We parkeren de auto op het punt waar we niet verder kunnen, en daar blijkt het raam niet dicht te kunnen… In Nederland zou dat een probleem zijn, maar hier vraagt Kassa gewoon aan een jongetje of hij even bij de auto wil blijven staan tot we terug zijn. Mooi toch dat dat kan? Dat laat dan wel precies de andere kant van Ethiopië zien dan die we gisteren gezien hebben… Een wel erg groot contrast… Voor de zekerheid nemen we toch maar even alle spulletjes mee uit de auto.

Kassa had verwacht dat hier een nog mooier uitzichtpunt zou zijn, maar de bomen zijn hier zo hoog gegroeid dat we er niet meer overheen kunnen kijken. Stef heeft weer een heel elftal aan vriendjes om zich heen verzameld en die rennen een heel eind zwaaiend achter de auto aan als we weer vertrekken. We rijden naar het paleis van Menelik II, het koninklijk onderkomen van heel lang geleden. Op het terrein is ook een museumpje waar we de kleding e.d. kunnen zien van de hoge heren van destijds. Eén vitrine valt wel heel erg op, die is gevuld met medailles en foto’s van Ethiopische hardlopers, en lijkt helemaal niet in dit museum thuis te horen. Maar één foto valt mij meteen op, en ik kruip dichter naar de vitrine. ‘It’s France!’ zegt de meneer van het museum ‘Paris‘. ‘No sir, it’s Holland!’ zeg ik… Om precies te zijn het FBK-stadion in Hengelo. Hij staat me met open mond aan te gapen en durft me al helemaal niet meer tegen te spreken… Haha! Als ik tegen ze zeg dat dat de stad is waar ik werk vindt met name Kassa dat heel bijzonder. ‘Wauw!’ zegt ie… ‘So close…’.

Bij het kerkje strompelen heel veel zieke en gehandicapte mensen rond. Kassa zegt dat er een beekje langs stroomt met ‘holy’ water, en dat vooral aids patiënten geloven dat dat water een heilzame werking heeft. Ik help het ze hopen, maar zo te zien werkt het nog niet zo heel erg goed… Erg triest!

Op de terugweg komen we langs een marktje van Dorze mensen die zich in Addis gevestigd hebben (die van de bijenkorf hutjes die we in de eerste week bezocht hebben). Stef en ik stappen uit en kopen hier toch wat rotzooi voor thuis. Er loopt een klein meisje met een suikerpotje en twee kleine kippetjes van klei met ons mee, en vraagt steeds of we ze willen kopen voor 50 birr. We zeggen dat dat veel te duur en en dat we maar 30 willen betalen… Ze zakt al heel snel naar 40, maar daar blijft het bij. Wij slenteren langzaam verder terwijl ze nog een paar keer komt vragen of 40 echt niet kan? 35 misschien?? Wij houden voet bij stuk, en uiteindelijk zegt ze dat het goed is voor 30 birr. We pakken de kippetjes aan en geven haar alsnog 40… 😉 Haha, dat smoeltje…! Echt leuk!

Dan zet Kassa ons weer af bij het hotel, als we vanmiddag nog ergens naartoe willen kunnen we hem bellen. We zeggen dat hij kan gaan doen wat hij wil en dat wij ons wel redden… (hmmm, dat heeft ie eerder gehoord…). Wij gaan even naar de kamer om andere schoenen aan te doen en gaan dan opnieuw de stad in, dit keer naar het échte centrum. Met een kaart in de hand denken we daar wel even naartoe te lopen, maar dat is weer een verdomd eind. Onderweg vragen we een paar keer, maar niemand kent hier de straatnamen en met een stadsplattegrond kunnen ze al helemaal niks… Iedereen vraagt waar we dan precies naartoe willen, of we iets willen kopen in het centrum, maar we hebben helemaal geen echt doel. Onderweg zien we nog een bus met geiten op het dak. Dat hebben we in Azië ook al wel eens gezien, maar deze lagen gewoon op hun zij met touw vastgeknoopt aan het dak! Gillen joh die beesten, echt zielig! Stef wil nog wat spijkerbroeken kopen, maar hij komt er niet uit in zijn onderhandeling… Uiteraard niet…! Zucht… 😉

Vandaag hebben we alle speelgoedjes van Sam in de rugzak gedaan en die geven we aan kleine baby’tjes waarvan de moeder zit te bedelen. Echt schattig joh! Een jongetje is heel hard aan het huilen, totdat hij het speelgoed ziet. Hij straalt van oor tot oor, terwijl de tranen nog over zijn wangen biggelen… We maken wat foto’s en lopen dan weer verder terwijl het ventje zwaait tot we elkaar niet meer kunnen zien. Ook omstanders vinden het allemaal erg leuk, ‘toch wel goed volk, die faranji’s’ zie je ze denken. Haha, ze moesten eens weten… Geet mooi, delen met het spul van een ander! Bren, ik stuur je uiteraard alle foto’s door! Dankjewel, was heel leuk! Voor die kids, maar zeker ook voor ons!

En net als gisteren zijn we pas heel veel uren, en heel veel kilometer later weer terug bij het hotel. We drinken wat op het terrasje, delen een pizza en gaan dan douchen.
Vast weer net zo lekker warm als gister! Hoewel we ons de hele vakantie niet echt gestoord hebben aan dat koude water, is dit toch wel heeeel lekker!


DAG 24
maandag 2 januari – Wringen, bukken en springen
Vanmorgen komt Kassa ons weer halen om naar de Merkato te gaan, de grootste markt van Afrika. Hij strekt zich uit over een aantal blokken en omdat hij zo groot is, kun je er alles, echt álles kopen wat je maar kunt verzinnen. Eten, metaalwaren, hout en matrassen tot maatpakken en elektronica. Het is veel teveel om in een halve dag te bekijken, en eerlijk gezegd zien we zelfs die halve dag al niet zo zitten…

Het is er zo ongelofelijk druk, ieder nauw gangetje is massief vol met mensen, waardoor je pas een stap kunt verzetten als alle mensen voor je dat ook doen. Daar komt bij dat het ook heel veel mensen bezig zijn om hun kraampje te bevoorraden en zich dus met grote pakketten op hun nek door die mensenmassa heen dringen. We moeten dan ook heel vaak omlaag duiken of aan de kant springen om geen golfplaten of takken in onze kop geboord te krijgen… Al moeten we zeggen dat Kassa vrij relaxed rondliep en zijn hoofd ook nog steeds onbeschadigd is, haha! Kassa heeft zijn zoontje meegenomen vandaag, een enorm bijdehand ventje die heel goed Engels kan… Hij is pas vijf, maar hij lijkt zonder na te denken alles wat hij maar wil vertellen in het Engels oprakelt, we zijn heel erg onder de indruk!

Na een paar uurtjes wringen, bukken en springen (en paranoia om ons heen kijken in verband met zakkenrollers) vinden we het wel mooi geweest… Maar als we weg willen is onze nummerplaat van de auto weg. Kassa zegt dat de politie die heeft en dat we het bewuste agentje moeten gaan zoeken, omdat het anders een heel lang bureaucratisch getouwtrek gaat worden (en daar kunnen we ons inmiddels iets bij voorstellen…). We rijden een hele tijd rond, Kassa vraagt verschillende agenten en uiteindelijk zien we er eentje met een nummerplaat onder zijn arm, BINGO! Pas nadat Kassa hem vijftig birr heeft gegeven krijgt hij de plaat terug, hoezo corrupt??

Dan gaan we lunchen. Voor de allerlaatste keer naar Piazza, naar het tentje met de allerlekkertje avocado-juice die we hier gehad hebben… Stef koopt alsnog z’n spijkerboeken. Kassa en Pedro eten met ons mee, Pedro wil water en juice en gebak en patat en vreet bijna alles op, alsof ie in geen weken meer wat gehad heeft… Als hij z’n buikje weer rond heeft gaan we nog maar eens een keer naar de politie (zucht…) voor dat godvergeten stempeltje. Dit keer naar het hoofdkantoor van de federale politie in Addis. Het gebouw is in ieder geval indrukwekkend, dus we hebben voor het eerst de hoop dat het goed gaat komen. Maar die hoop is snel vervlogen als een grote, enge politieman ons vraagt hoe we in godsnaam kunnen denken dat ze hier een stempel onder zouden zetten. Dit documentje zouden we zelf wel geschreven kunnen hebben… Mja, daar waren we dus al bang voor… Bellen naar dat politiebureau in Mekele wil die ook niet en ook kunnen we de hele aangifte niet opnieuw doen. Machteloos. Als we terug naar buiten lopen verontschuldigd Kassa zich met: ’This is Africa…’. Hij biedt aan om een kopietje mee te nemen de eerstvolgende keer dat hij in Mekele komt en op het ‘plaats delict’ zijn best te doen voor die bureaucratische klap van die klotenstempel die ons inmiddels de strot uitkomt.

Halverwege de middag zijn we terug in het hotel, we gaan bij de buren even internetten en vervolgens terug om onze lange broeken en truien aan te trekken voor de terugweg… We laten onze gigantische gore schoenen poetsen door twee jongens tegenover ons hotel. Nee, dat is niet zielig, alle locals laten hun schoenen hier ook poetsen en het brengt die twee jongens een inkomen. Ze zijn echt pietje precies en als ze klaar zijn glimmen onze schoenen als nooit tevoren, al zijn die van mij nu wel zwart in plaats van donkerblauw… 😉
Stef heeft een tas met spullen bij elkaar gepakt wat hij achter wil laten en geeft dat aan die jongens, vooral zijn slippers en zijn felbegeerde (kapotte) Nike-pet doen het goed!
De afgelopen weken hebben zoveel mensen hem gevraagd of ze zijn petje mochten hebben… Maar die kon hij nog niet missen in verband met de zon in zijn ogen, nu we toch terug gaan naar ons donkere, grijze Nederlandje lijkt dat petje overbodig. Wanneer ze bezig zijn met de schoenen van Stephan, loop ik een klein stukje in het rond. Op een veldje zijn wat jongetjes aan het voetballen en ik ga op een steen zitten kijken. Een meter of drie bij me vandaan is een klein vuilnisbeltje waar een man in oude vodden naar me zit te kijken terwijl ik met mijn telefoon aan het prutsen ben. Dit westerse tafereeltje moet voor hem iets onwerkelijks zijn…

Terwijl ik me afvraag waar hij vannacht gaat slapen slik ik de brok in mijn keel weg en loop naar hem toe. Ik ga bij hem zitten en geef hem wat koekjes uit mijn rugzak.
Met zijn rode, waterige oogjes kijkt hij me aan en doet zijn best op een soort van glimlach. Hele kleine hapjes neemt hij van onze koekjes, om er maar zo lang mogelijk van te kunnen genieten. Ik realiseer me hoe totaal verschillend de werelden zijn waarin we leven en hoe ontzettend rijk wij zijn. En toch, toch maakt dat besef me naast deze man niet gelukkig. Net als ik heeft ook hij geen idee hoe en waarover hij in godsnaam moet communiceren met die vrouw naast hem, met een leven dat zo ommeunig ver bij hem vandaan ligt, dat hij er zich waarschijnlijk niet eens een voorstelling van kan maken.
En andersom geldt dat eigenlijk net zo, ik vraag me af of hij een huis heeft, een vrouw? Kinderen misschien? Zou ook hij ’s ochtends naar zijn werk gaan? En op zaterdag bij huis wat aanrommelen, om daarna bij de buurman een biertje te gaan drinken? En dan ’s avonds in bed met zijn vrouw plannen maken voor de zondag, want het wordt donders mooi weer! En heeft hij ook wel eens een feestje waar hij zich op verheugt? En staat zijn vrouw dan voor de kast te denken over wat ze aan zal trekken?
Of zit hij hier dag na dag bij dit hoopje vuilnis, te wachten op iets dat misschien nooit gaat komen? Bij het zoeken naar ieder antwoord komt er weer een nieuwe vraag in me op. Maar ik zal het nooit weten, straks sta ik op en ga naar huis.
En over drie dagen zijn we weer aan het werk en zal ik misschien nog eens terugdenken aan die man tussen het vuilnis. Over wat hij op dat moment aan het doen is… En ik realiseer me dat het meest waarschijnlijke is, dat hij dan opnieuw, of nog steeds, op dezelfde plek zal zitten. Ik pak mijn telefoon om hem foto’s te laten zien. Met mijn duim veeg ik over het touchscreen om steeds naar de volgende foto door te bladeren. Ik zie dat hij niet onder de indruk is van de foto’s, maar van het apparaat zelf. Hij kijkt me angstig aan, alsof hij zojuist in een science fiction film beland is. Wat doe ik die man in godsnaam aan?

Dan is het tijd om naar het vliegveld te gaan, althans volgens Stephan… Wat mij betreft had dat ook wel twee uur kunnen wachten nog. Vijf (!!!) uur voordat we echt gaan vliegen zet Kassa ons samen met zijn dochtertje af op Bole Airport. Het zit er nou echt op…


DAG 25
dinsdag 3 januari – Back to reality

Terug in Nederland, de regen komt met bakken uit de lucht, en mensen in de trein hebben handschoenen aan! Slik… Als de trein ons weer afzet in Twente staat er een ontvangst comité op het station alsof we drie jaar zijn weg geweest in plaats van drie weken. Maar wel heel leuk!

Terug in De Lut gaan we meteen even boodschappen doen voor de eerste honger (al is dat woord op dit moment misschien wel heel erg ongelukkig gekozen…). Het kassameisje scant het kleine beetje boodschappen, dat is dan EUR 38,65. SLLLIIKKKK…!!!! Ongeveer een Ethiopisch maandsalaris… Daarmee lijken al onze voornemens om het anders te gaan doen te zijn vergeten… In één klap zijn we weer terug in onze eigen, Nederlandse werkelijkheid.